elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boteren

boteren , boteren , voor karnen, boter maken. Boterstand of enkel stand voor karn.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
boteren , [boter maken] , böttern , boter maken: de geheele bewerking van boter.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
boteren , bottertjen , zie: botter en brood gooien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boteren , bottern , boteren, lukken; ook: hij bottert = hij verheugt zich, bv. in eens anders ongeluk. (In de eerste en eig. beteekenis alleen met: niet, voorop: ’t wil nijt bottern = het wil niet vlotten. Friesch buttern = lukken.) Kil. boteren = karnen. Friesch: It wol net büterje.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
boteren , bòtteren , ’t Wil n(i)eet bòtteren = ’t wil niet gelukken. ’t Kan mîn niks verbòtteren = ’t kan me niets schelen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
boteren , boteren , butteren , (zwak werkwoord, intransitief) , Zegsw. ’t Wil niet butteren, het gaat niet naar wens. Dat buttert wel, die zaak loopt wel. Evenzo in het Stad-Fri. (O. Volkst. 2, 180) en waarschijnlijk ook elders. De uitdrukking is aan het karnen ontleend.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
boteren , bottĕrĕn , det bottĕrt neet, dat wil niet lukken.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
boteren , bòtteren , ’t Wil n(i)eet bòtteren =het wil niet gelukken, ’t Kan mîn niks verbòtteren = het kan me niets schelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
boteren , buattern , zwak werkwoord , boteren. Dät buattert of dät buattert neit
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
boteren , bóttere , boter maken, karnen. [Ove]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
boteren , buttere , werkwoord , 1. Boter maken of tot boter worden. 2. Tobben, martelen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
boteren , botteren , 1. ontstaan van boter uit melk 2. goede relatie hebben, harmoniëren.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
boteren , bottern , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. boter worden As het begunt te bottern, dan mujje flink deurkaarnen (Nsch) 2. boter maken Hij is op de febriek veur het bottern (Eex), Laand, daor men flink van bottern kan boter van kan verkrijgen (wb) 3. met elkaar overweg kunnen, overeenstemmen Het bottert niet tuschen die beiden (Sle), Het wol vandage mit het waark neet bottern vlotten (Rui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
boteren , bòtteren , overweg kunnen. die twéé, dè bòttert nie, die twee kunnen niet met elkaar overweg.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
boteren , bòtteren , tot boter worden. Gunninks woordenlijst van 1908: ’t Bòttert wel ‘het zal wel gaan’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
boteren , botteren , werkwoord , 1. boter maken, karnen 2. met elkaar overweg kunnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
boteren , buttere , werkwoord , butter, butterde, gebutterd , boteren Het buttert allang nie meer tusse die twêê het botert allang niet meer tussen die twee
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
boteren , botteren , (werkwoord) , botteren, ebotterd , boteren. ‘t Bottert niet meer zo tussen die twie.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
boteren , bottere , 1. boter maken, karnen, 2. goed gaan , 1. vruger botterde de boere zelluf en da waar jille lekkere botter = vroeger karnden de boeren hun eigen boter en dat was heel lekker- ; men noemde dat goeje botter - 2. botterta nog ’n bietje daor? = gaat dat daar nog een beetje goed?- da botter nie = dat gaat niet goed samen- tusse die twee botter ’t al lang nie mjeer = tussen die twee gaat het al lang niet goed meer-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
boteren , buttere , karnen, boteren
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
boteren , buttere , werkwoord , karnen (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
boteren , bootere , zwak werkwoord , bootere - booterde - gebooterd , WBD karnen; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - ene stèùver mulk èn nie gebooterd ('66) - iets zonder moeite bereikt; WBD III.l.4:338 'boteren' = gelukken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal