elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bovenmouw

bovenmouw , bovenmau , bovenmou , (bovenmouw); dat gedeelte eener mouw dat boven zit, ter onderscheiding van ondermau (ondermou), het andere stuk, onder den arm. Naaistersterm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
bovenmouw , boovĕnmouwchien , kleedingstuk, V, 8.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bovenmouw , bovenmouwe , zelfstandig naamwoord , de; i.t.t. ondermouwe (vroeger naaide men bijv. de mouw van een kiel in twee delen)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal