elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: braak

braak , braak , is omgeploegd, doch rustend, ledig liggend land.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
braak , braak , brakel, braoke , werktuig om vlas te braken, Gron. broak.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
braak , braoke , (vrouwelijk) , gebroken land, hoog roggeland.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
braak , braoke , (vrouwelijk) , gebroken land.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
braak , brake , (vrouwelijk) , braken , braak, werktuig om vlas te breken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
braak , brake , (vrouwelijk) , bouwvallig huis.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
braak , broak , (zelfstandig naamwoord) = zömervalg = braakliggend land. Vlaanderen Westfalen braak = de toestand zelf van het braakliggend land. Middel-Nederlandsch brake, Middel-Hoogduitsch brâche = omgeploegd, braakliggend land. (Verdam). Men onderscheidt, althans op ’t Hoogeland: broak = een geheel jaar van rust voor den grond, en: halve broak; zooveel als één seizoen rustens. In Vlaanderen kent men: halve braak, blinde braak, winterbraak en zomerbraak. Zie: zömervalgen.
halve broak = Sunt Joap-valgen (Hoogeland), zooveel als: ongeveer in ’t midden van den zomer het land braakleggen. Meestal geschiedt dit door het omploegen van eenjarige klaver, ook wel van eene vrucht die als mislukt wordt beschouwd. Aldus zóó genoemd omdat het land dan niet meer kan behandeld worden als bij eene gewone, volledige braak plaats heeft.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
braak , braak , broak , “Een braak is een werktuig, van vorm als een groot scheermes ter lengte van ruim een halven meter, waarvan mes en lemmet beide van hout zijn. Dit mes is door een tweebeenigen standaard (aan beide zijden van het mes een been) ter hoogte van ongeveer een halven meter boven den grond vastgesteld, zóó dat het lemmet in het hecht kan draaien. Naast dit werktuig staat een tweede van dezelfde constructie, maar grootendeels van ijzer dat de slijp genoemd wordt. Beide bevinden zich gewoonlijk in een hok, lang 2 à 3 meter, breed 1½ meter en vaak nog geen 2 meter hoog. Bovendien behoort tot de werktuigen van den braker nog een groote houten hamer met langen steel. Het eerste werk dat de arbeider doet is nu het beuken. Hij spreidt een hoeveelheid vlasstengels over den grond uit en slaat daarop aanhoudend met den hamer, waardoor de houtachtige deelen van den stengel gekneusd worden. Is dit in voldoende mate geschied, dan begint het eigenlijke braken. De werkman neemt een bundel gekneusde vlasstengels in de eene hand en het lemmet van het houten scheermes in de andere. Het lemmet wordt nu aanhoudend snel op en neer bewogen en komt telkens in aanraking met den bundel vlasstengels, die tusschen hecht en lemmet worden doorgetrokken, natuurlijk onder aanhoudend schokken, wat tegelijkertijd een eigenaardig ratelend geluid voortbrengt. Het gevolg van deze snelle schokken is dat de houtachtige deelen, die reeds gekneusd waren, in kleine stukjes worden verdeeld, welke door het uithalen van den bundel tusschen mes en lemmet door, aan den voet van den standaard neervallen, terwijl de braker langzamerhand de vezels alleen in de hand houdt. Nu wordt dezelfde bewerking op het ijzeren scheermes, de slijp herhaald, tengevolge waarvan ook de kleinere houtdeeltjes en de overblijfselen van de bast verwijderd worden, zoodat de vezels in volkomen zuiveren toestand overblijven en de grondstof voor het linnen, het vlas verkregen is.” (Vragen des Tijds, 1892.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
braak , braak , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Bij de bakkerij. Bank, waarop sommige soorten deeg gekneed worden met een ijzeren hefboom. Deeg voor taai-taai, korstjes, Sint-Nicolaas en pepernoten kan moeilijk met de handen worden doorgewerkt; het wordt daarom op de braak bereid. – Evenzo elders in Holl. Door VAN DALE wordt braak vermeld als werktuig bij de suikerbakkerij.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
braak , braak , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Als naam van verschillende wateren, indertijd ontstaan door het inbreken van dijken. De braken zijn de gehele Zaanstreek door talrijk. Evenzo elders in Holl. || Aen de Zuydt-zijde van der Broecke (bij het Kalf), LAMS 666 (a° 1414). De Braak (bij Assendelft), Handv. v. Assend. verv. 393 (a° 1512). Dijck-braeck, Kouwehorns-braeck, Bom-braeck, de grote Braeck (bij Oostzaanden), LAMS 713 (a° 1633). De Havicksbraeck (te Assendelft), Maatb. Assend. (a° 1635). Coenenbraeck (bij W. Zaandam), Priv. v. Westz. 499 (a° 1650). De Buinderbraak en de Boerebraak (bij de Voorzaan), de Graaf Willems-braak (onder Oostzaanden), enz. Vgl. Kaart v.d. Uytw. Sl. 8 en 12. – Ook verschillende stukken land, die bij een braak liggen, zijn daarnaar genoemd. || ’t Braeckelandt (bij Braak onder Assendelft), Maatb. Assend. (a° 1635). Noch braecklandt (bij het Kalf), Polderl. Oostz. I (midden 17de e. ). Hierbij hoort wellicht ook de Brakel, stuk land in het Oostzijderveld, in de Achtersluispolder.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
braak , braokĕ , werktuig v. vlasbewerking, V, 55.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
braak , brääke , vrouwelijk , bouwvallig huis of brääke schuur. Ne oolde brääke: iets wat bouwvallig is.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
braak , braake , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , ne oale braake, een oud vervallen huis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
braak , braok , m , bouwval, bouwpuin. wá ’nen braok!
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
braak , broake , bakkersgereedschap om het deeg zacht te maken
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
braak , braok laote ligge , een akker een seizoen braak laten liggen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
braak , broake , groot, slecht onderhouden, b.v.: ’n broake van ’n huus = een groot huis of een slecht onderhouden huis.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
braak , braak , braok, braek , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook braok (Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), braek (Zuidwest-Drenthe, noord) = braak Die akker lig braak, der wordt dit jaor niks op verbouwd (Man)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
braak , braok , braoke, braak, brakel , braoken , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, veroud.). Ook braoke (Midden-Drenthe), braak (Zuidoost-Drents zandgebied), brakel (wm, wb) = werktuig om vlas te braken. ‘Onder de braak vallen’ verrot zijn van vlas, als het een nacht te lang in het water had gelegen (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
braak , brake , braoke , (Kampen) bouwvallig huis. Ook: braoke (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
braak , brake , bouwvallig huis. ’n Olde brake van ’n huus.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
braak , braoke , vlasbraak.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
braak , braok , braak , D'n ónverdôlden boel li al jaore braok, die is nie verdôld meej de éérfenes. De onverdeelde akker ligt al jaren braak, die is niet verdeeld met de erfenis.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
braak , braok , bijvoeglijk naamwoord , braak (van cultuurgrond)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
braak , braek , zelfstandig naamwoord , braeke , braekie , 1. braak, toestel om het te zwingelen vlas te breken (braken) 2. braakliggend land
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
braak , braok , braak , Det stök land liktj al jaorelang braok.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
braak , braok , bijvoeglijk naamwoord , braak; M broak; Van Rijen (1998): 'Zo wèèt ge kèèke kost, laag alles nòg braok.’; J. Cornelissen & J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect (1899): BRAAKGROND: bij landb.: grond dien men bewerkt, maar een seizoen onbezaaid laat .BRAAKLAND: bij landb.: bouwland dat men bewerkt, maar een seizoen onbezaaid laat, nadat er de zomervruchten af zijn.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal