elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brandnetel

brandnetel , [plant] , brannettel , (mannelijk) , brannettels , brandnetel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
brandnetel , branekkel , brandnetel; doove branekkel = makke branekkel: doove netel, Lamium album, in Oldehove bloeiende branekkel; v. Hall Neerl. Plantensch. p. 168. (De oude en nieuwe Germaansche talen hebben geene k in ’t nagenoeg als: netel, luidende woord; door den invloed der n is de t hier in k overgegaan). Spreekwoord: Hou stiller hou beter, har ’t wief zegd, dou har ze mit ’t gad in de branekkels zeten; Friesch: Ho stilder ho better, sei ’t âldwief en hja siet mei ’t gat yn ’e brânnettels. Oostfriesch nêt mit de nêrs in de brannettels sitten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brandnetel , brandenekel , (brandənékəl met hoofdtoon op ) , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Brandnetel. || Pas op voor de brandenekels. Ik heb me erg ’ebrand an ’en brandenekel. – In Groningen heet de plant bran(d)-ekkel (Noord en Zuid 3, 372; MOLEMA). Waarschijnlijk is brandenekel dus, onder invloed van Ned. brandnetel, vervormd uit een vroeger barren-ekel, van barnen, branden. Ekel kan hetzelfde woord zijn als het in het Gloss. v. Bern voorkomende ekel, stimulus. Vgl. Ned. Wdb. II, 4 en FRANCK 20 op akelig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
brandnetel , brannettĕl , brandnetel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
brandnetel , branekkel , brandnetel
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
brandnetel , brannetels , brandnetels
Bron: Spek, J. van der (1981), Zoetermeers woordenboek, Zoetermeer.
brandnetel , brandenekel , zelfstandig naamwoord de , Dialectische variant van brandnetel; verouder barnnetel.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
brandnetel , braandnettels , braandnekkels , brandnetels.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
brandnetel , branekkel , braanekkel, brandnetel, braandnekkel, brandnekkel, , (Zuidoost-Drenthe, Noord-Drenthe). Ook braanekkel (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), brandnetel (Zuidoost-Drents veengebied), braandnekkel, brandnekkel, braannekkel, brannekkel (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën), braandnikkel (Zuidwest-Drenthe, zuid), braandnettel, braannettel (Zuidwest-Drenthe, zuid), brannettel (Zuidoost-Drents veengebied) = brandnetel Die is mit de kont in de brandnetels vallen (Klv), Fiengesneden brandnetels is best voer veur jonge kukens (Bov), As der veul branekkels stunden op ien plek, gruven ze der een paol middenin. Dan trapten de koenen de branekkels kepot, umdat ze heur an de bienen schrapden (Sle), Hij lacht net as een bok, die braanekkels vret (Hijk), Branekkel bint goed veur ischias (Pdh), ... bloedvinnen en as ze het mit het waeter hadden (Dwi), ... reuma (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brandnetel , brandnetel , braandnetel , (Kampen) brandnetel. Ook: braandnetel (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
brandnetel , brandnettel , brandnetel.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
brandnetel , braandnettel , braandnetel, braannettel, braannetel, brannettel , zelfstandig naamwoord , de; brandnetel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
brandnetel , bràànneetel , branneetel , brandnetel
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
brandnetel , brandnettel , (zelfstandig naamwoord) , brandnetel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
brandnetel , brandnaetel , brandnettel, brandnekkel, brandnetie , brandnetel (urtica).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
brandnetel , brandjnetel , (vrouwelijk) , brandnetel
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal