elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brein

brein , bragen , braegen , hersenen; ook = verstand; hij hef geen bragen in de kop, ook: hij hef niet veul in de bragepan = hij bezit niet veel verstand. Gron. broagen, bragen, broasems, harsens = hersenen. Oostfr. Neders. brägen, AS. brägen, broegen, Oudfr. brein, brin, Noordfr. brayen, Eng. braien, Deensch broene, MNederl. bregen, Kil. breghe, breghen (Sax. Sicamb) – Holl. breyne, brijne = de kleine hersenen; Nederl. brein = hersenen als zetel van ’t verstand.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
brein , bragen , (mannelijk) , [weinig gebruikelijk] hersens, meest van geslachte dieren gezegd.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
brein , [hersenen] , bragen , (mannelijk) , hersens, meest van geslachte dieren gezegd.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
brein , broagen , bragen, broasems, bregen , hersenen. Drentsch bragen, braegen = is hersenen, en: verstand; Middel-Nederlandsch bregen, Kil. breghe, breghen (Sax. Lic.) = de kleine hersenen (Hollandsch) breyne, brijne; Nederlandsch brein = hersenen als zetel van ’t verstand; Levit. 14:9 wijnbrauw, Kil. wimp-brauwe = wenkbrauw, ons: wienbroagen; Oostfriesch, Nedersaksisch brägen, Angel-Saksisch brägen, broegen, Oud-Friesch brein, brin, Noordfriesch brayen, Deensch broene, Engelsch brain = hersenen. – Bij Verdam: Middel-Nederlandsch bragen. Angel-Saksisch brägen, bragen, bregen; Hoogduitsch Bregen, Oud-Engelsch brain, brein, Engelsch brain. Oud-Friesch, Nederlandsch brein, Schott. brayn, brane. Hersenen. In broasems is de g uitgevallen en de s voor het meervoud achtergevoegd. In fig. zin gebruikt men steeds: harsens: hij het gouie harsens; hou krigstoe ’t in de harsens! = hoe krijgt gij dat in het hoofd!
bregen (Westerwolde) = hersens, van een varken; bregenworst = darmen waarin de hersens van een varken gestopt zijn; wil ie de bregen ook hollen? vraagt de slager.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
brein , brangĕn , hersens; hij is goed in de brangen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
brein , bragen , braegen, braozems , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook braegen (Zuidwest-Drenthe, noord), braozems (Row) = hersenen, vooral van een dier Aj slacht hebt, moej de bragen niet wegdoen; die bint lekker, aj ze even in de pan braodt (Oos), As oen va nog ies weer een schaop slacht, mut hij oe de bragen in de kop laoten zetten gezegd tegen dom persoon (Hgv), De braozems sudderden in de pan (Row), Wat hef hij wat in zien bragen wat weet hij veel (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
brein , braegen , meervoud , hersenen, ook i.h.b. van een geslacht varken; bijv. Hi’j het hiel wat in zien braegen hij is erg geleerd, is een echte denker
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal