elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bromkloot

bromkloot , [bromtol] , bromkloot , (mannelijk) , bromtol.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
bromkloot , bromkloot , bromtol, 26.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
bromkloot , bromkloot , bromkloten , (Zuidwest-Drenthe). In bet 2. ook bromkloten (Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. grote tol Die bromkloten waren een voeste groot en der waren der bij, die ook meziek kunden maken onder het dreeien (po) 2. brompot (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) Oh, het is zo’n bromkloten (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bromkloot , bromkloot , (Gunninks woordenlijst van 1908) soort tol
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal