elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dapper

dapper , dapper , gezond, welvarend; goon dag! hoe liek’t? bin’j’ nog dapper? Gron.: dapper zegt men in ’t bijzonder van vrouwen die door kleeding, houding, gang, ook in ’t spreken toonen kracht en moed te bezitten. ONederl. dapper = preutsch, gemaakt deftig; Nehem. II, b = vermogend, sterk, kloek.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dapper , dapper , flink, levendig, vlug; ʼn dapper kereltje = een vlug jongetje. Zegt men van iemand dat hij (of: zij) klein van persoon is, dan luidt het wederwoord: jà, klain moar dapper; – zijʼs dapper, zegt men in ʼt bijzonder van vrouwen die door kleeding, houding, gang zoowel als in ʼt spreken toonen den moed niet te laten zinken. Veronderstelt eene eenigszins zwierige kleeding en flinken tred, echter altijd in gunstigen zin, en synoniem met moudîg = naar haren opschik te oordeelen, vol levenslust en levensmoed. Oud-Nederlandsch dapper = preutsch; Nehem. 11,6 = vermogend, sterk, kloek; Zuid-Nederlandsch = spoedig, snel. Middel-Nederlandsch dapper = snel, vlug, flink, kloek, sterk, kloek gebouwd; dapperlike = flink, op eene flinke wijze, krachtig, met kracht. (Verdam).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dapper , dappĕr , flink; dapper langs dĕ diek loopĕn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
dapper , dapper , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. dapper Niet elke soldaot is even dapper (Ndo) 2. gezond, flink Hij is ’s morgens en ’s aovends altied even dapper (Bov), Hoe is het mit het olde meinse? Oh, die is nog goed dapper (Ruw), Dat is een dapper kèreltien, der zit duvel in (Sle) 3. parmantig Kiek oos wichien ies dapper stappen! (Hijk), Hij is zo dapper as een schaopeluus (Koe), ...zwienloes (Nor), ...een stoterse hane (Coe), ...een iempie (Bei), ...een krielhaan Odo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dapper , dapper , 1. dapper; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: gezond
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dapper , dapper , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. zonder angst voor gevaar 2. flink, optimistisch 3. parmantig 4. gezond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal