elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: draaghout

draaghout , dregholtĕn , ond. huis, V, 38.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
draaghout , draghoolt , zelfstandig naamwoord , et 1. houten pen tussen de pezen van de hakken van een te slachten varken of koe 2. zijtakken uit een boom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
draaghout , dreeghoolt , draghoolt , zelfstandig naamwoord , et 1. lange, zware balk waarop de spanten van een dak rusten, hetz. als dreegplaete, bet. 1 2. houten balk in een ploeg met behulp waarvan men deze afstelt, ploegboom
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal