elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: driebeen

driebeen , dreibijn , (driebeen); stoeltje zonder rugleuning met drie pooten, schoenmakersstoeltje. Ook Holsteinsch waar men het hier evengoed bekende raadsel heeft, in Nederlandsch luidende: Tweebeen zat op driebeen en had één been; toen kwam vierbeen en beet tweebeen, zoodat tweebeen een been liet vallen. Antwoord: mensch, bot, hond.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
driebeen , driebeen , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast driebien. Een stuk land, dat aan de ene zijde in drie evenwijdige tongen (benen) uitloopt. Zie been. || Hij het een van zijn stukken land verkocht, een driebeen. ’t Is ’en driebientje. Dirck Wulmsz. driebeen, Jan Ouwels driebien, Maatb. Assend. (a° 1634).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
driebeen , dreebeen , treef op een komfoor.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
driebeen , driebien , de , melkbankje, in raadsel Twiebien zat op driebien / Doe kwam veerbien en wol hum bieten / Doe nam twiebien driebien / Um veerbien der met te smieten de melker op een melkbankje die de koe te lijf gaat (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal