elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drong

drong , drōng , na, nabij; dʼooren drong anne kop hebben – hoogst zuinig zijn, Gron. de ooren dicht an de kop hebben. Gron. drong an = aaling an = stoef an = stomp an = dicht bij, dicht aan, onmiddellijk aangrenzend. Van: dringen. Noorfr. trong, Eng. throng, AS. thrang = eng, gedrongen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
drong , [lichtgeraakt, prikkelbaar] , drōng , kitteloorig.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
drong , dronge , (bijvoeglijk naamwoord) , dicht opeen, ineengedrongen; de rogge steet dronge.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
drong , drong an , bijwoordelijke uitdrukking voor: dicht bij, dicht aan, in de onmiddellijke nabijheid, elkander bijna rakende; d’ooren drōng an de kop hebben = hoogst zuinig zijn; Drentsch d’ooren drong anne kop hebben = kitteloorig, en: zeer zuinig zijn. – drōng, van: dringen; Noordfriesch trong, Engelsch throng, Angel-Saksisch thrang = eng, gedrongen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drong , drong an* , vergel. bōt .
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
drong , drong in mĕnaar , dicht in elkaar.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
drong , dronge , [droŋә] , dicht op elkaar (ook gewas)
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
drong , drong , dronge, drung, drunge , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook dronge (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), drung (Zuidoost-Drents zandgebied), drunge (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. dicht bij elkaar Die bieten staot te drong op mekaar (Klv), De koenen stunden aordig dronge op de stal (Ruw), Hij hef de oren drong an de kop, die is zunig (Eex), Wij hebt dat laand drong egd een gedeelte van de tevoren geëgde strook weer meegenomen (Rol), Die boom hef een dronge kop dichte kruin (Scho), zie ook droestkop 2. kittelorig (wm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal