elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drouwen

drouwen , drouwen , druwen, drowen , voornemens zijn, op het punt staan iets te doen; wij drouwen uit te gaan; naar de markt drouwen = plan hebben naar de kermis te gaan. Gron. drauen, drauwen, drouen, bij Laurman ook druwen = voornemens zijn, vooral in betrekking tot een bezoek; wie hebben joe al lank droud; ik drou Grönen. Ook = dreigen; Dr. Landr. (1712) II, 47: Zoo bewijslijk ware dat iemant de Getuigen misdede, of merkelijk drouwde, enz.; id. (1608) II, 11; Zoo IV, 26; Emant drouwende sijn huis oft goet te barnen. Uit de beteekenis van: voornemens zijn, ontstond allicht die van: talmen, besluiteloos zijn, ook Gron. ie mouten nijt te lank drouen; ʼt blift bie ʼt drouen = wij talmden er tot dusver mee, ʼt kwam niet tot de uitvoering. – Friesch drige, HD. drohen, Goth. treihan = dreigen; NHoll. dreigen = voornemens zijn, Hooft dreighen; Neders. drouen, drouwen = dreigen; todrauen = minen maken of met woorden te kennen geven dat men iets in zijn schild voert; Holst. Oud-Frankisch todrauen = den schijn aannemen. Het Gron. heeft de zegswijs: hij is van Drouen = hij is een talmer, eene woordspeling met: Drouwen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
drouwen , drauen , drauwen, drouen, drouwen, druwen , voornemens zijn, vooral in betrekking tot het afleggen van een bezoek. Het wordt in de Ommelanden zoowel bedrijvend als onzijdig gebruikt; ik drou hōm = ik heb plan hem te bezoeken; ik drou Grönen = ben voornemens spoedig eens naar de stad te gaan. In ’t Oldampt en Westerwolde drauen, drauwen alleen onzijdig; ’t blift bie ’t drauen = ’t komt tot geen besluit ten opzichte van den tijd; ik drau d’r noa tou = ben van plan er heen te gaan; ie mouten nijt te lank drauen = het bezoek niet te lang uitstellen. – Drentsch drouwen, druwen = op het punt staan iets te doen; talmen, besluiteloos zijn; dreigen; Dr. Landr. (1712): drouwde = dreigde; gedrouwt = gedreigd; Friesch drige, drouwje, Hoogduitsch drohen; Gothisch treihan = dreigen; Noord-Holland dreigen = voornemens zijn; Hooft dreighen = van zins, voornemens zijn; Old. Landr. V, 46: drouwen, druwen = dreigen; druwinge = bedreiging; Ommel. Landr. VII, 33: gedrouwet = gedreigd; drouwen = dreigen; II, 46: drouwede te misdoen = dreigde te mishandelen; Stadtsboek lib. 2: soo welk mensche, die jemand drouwede toe branden; Nedersaksisch drouen, drouwen = dreigen; todrauen = bewegingen maken of met woorden te kennen geven dat men iets in zijn schild voert; Middel-Nederlandsch druwen, drouwen = dreigen; Kil. drouwen, druwen. Oud-Hoogduitsch drouwen, Middel-Hoogduitsch drouwen, dröuwen, Hoogduitsch dräuen, drohen, Middel-Nederduitsch drouwen. In het Engelsch en in onze taal is het woord met zijne verwanten uitgestorven. (Verdam art. druwen). Holsteinsch (Altfränk.) drauen, todrauen = den schijn aannemen, Zweedsch dröja = talmen, wachten. (Bij Laurm. drouwen, druwen; Swaagm. drouen.) Het woord heeft dus de beteekenis van: dreigen, werkelijk iets meenens zijn of ’t laten voorkomen dat men iets wil doen, vandaar de beteekenis van: talmen. De zegswijs: hij is van drouen = hij is een draler, stelt altijd uit, is eene woordspeling met Drouwen, eene buurtschap in Drente.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drouwen , [treuzelen, aarzelen] , druwwĕn , treuzelen, aarzelen; det geet hèn met druwwĕn, er komt niets van; het druwt, ’t is donkere lucht, er is neiging tot regen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
drouwen , drouden , 1. dreigen. 2. van plan zijn
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
drouwen , drouwen , druwen , Ook druwen in bet. 3. (dva) = 1. van plan zijn (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, dva, oz) Wij hebt wal ies drouwd um daor hen te gaon (Wes), Ik drouwde wel hen Möppelt te gaon, mar het is er neet van ekomen (Rui), Ik drouwde hen Dwingeler markt (oz:Hgv), Wij drouwen uit te gaan (dva), Drouwen zul een stad worden, maor ze bint nooit verder kommen as drouwen en daorum is Drouwen Drouwen bleven (Zui) 2. treuzelen (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) IJ moet niet langer drouwen, ij moet opschieten (Sti), Dat geet mit drouwen hen door uitstellen komt er niets van (Die), Hij is van drouwen talmachtig (vs) 3. dreigen (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drouwen , drouwen , werkwoord , voornemens zijn te gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal