elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flut

flut , flut , ĕn flut ei, een vuil ei.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
flut , flotje , 1. een klein beetje 2. een mislukking
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
flut , flut , de , (Zuidwest-Drenthe) = bederf Aj dat ei schudt, zit der de flut in is het bedorven, het klotst (Uff)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flut , flut , flutte, flotte, flutse , zelfstandig naamwoord , de; 1. kleine maar niet onaanzienlijke hoeveelheid 2. vloeibare en dunne substantie 3. floepende beweging van water e.d. in bijv. een emmer waarmee men loopt 4. in op ’e flut er even tussenuit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flut , flut , flotte , tussenwerpsel , nabootsing van floepend geluid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal