elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: worstelen

worstelen , froeselen , Worstelen, zoo als de jonge knapen wel doen, uit tijdverdrijf en om hunne krachten of behendigheid te toonen, geenszins om elkaâr zeer te doen; spelenderwijze met elkander worstelen, ter oefening van lichaamskracht of om te zien, wie de sterkste is. Froeselen, Groningsch fröseln, schijnt door verzetting der r één te zijn met worstelen (door wijlen Prof. Siegenbeek dus uit den grond opgehaald, Taalk. Bedenk. blz. 27: ‘wat is worstelen? niets anders dan een gedurig warren, of ondereen warren der leden, gelijk in het worstelen met der daad geschiedt. Het woord namelijk is een frequentativum van het verouderde worsten, en dit wederom afkomstig van worst, gesproten uit het oude imperfectum worst van ons warren, werren, worren;’ waarmede men vergelijke ten Kate, Aenl. enz. II. 735, Dr. de Jager, over de werkw. blz. 100 en Versch. blz. 189) – bij Kiliaan ook wrastelen en wratselen gespeld – hetwelk overeenkomt met het Engelsche to wrestle. De w, f en v, zijn klankverwante letters, als blijkt uit wrat en vrat, erwten en erften, verw en verf en meer anderen.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
worstelen , worstelen , wordt in bijzonderen zin gebruikt: we hebben wat te worstelen (wij hebben wat moeite) om rond te komen. Ook wordt het wel eens voor sukkelen gebezigd.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
worstelen , froesselen , worstelen, vechten uit gekheid.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
worstelen , vrösseln , zich worstelend verzetten. Gron. vröseln, fröseln, Hoogel. wroagen, Westerkw. wrakseln = worstelen, van knapen, om hunne krachten te meten; Friesch wrachselje, Kil. wrastelen, wratselen; G. Japix wraegseljen; Oudfr. wrakslia, Noordfr. wrasten, wrüstle, Oostfr. frösseln, Eng. to wrestle; AS. wrakstian, wraestlian, van vraestan = draaien, wringen. Zie: wrangen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
worstelen , fruselen , (zwak werkwoord) , worstelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
worstelen , wosselen , (zwak werkwoord) , worstelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
worstelen , frôselen , (zwak werkwoord) , worstelen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
worstelen , wö̀rstelen , wö̀stelen , (zwak werkwoord) , worstelen; wi hebt wat te wö̀rstelen, wij hebben heel wat moeite om rond te komen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
worstelen , frosêln , vrosêln, vrusseln, wrössêln, vrösêln, vruzzeln , frosêln, vrosêln, vrusseln (Oldampt) = vruzzeln, schêrmōssêln (Hoogeland) = wrakseln (Westerkwartier) = wroagen, wrangen (Westerwolde) = wrösselen = worstelen van knapen om zich tegen elkander te meten; Kil. wrastelen, wratselen, Drentsch vrösseln, wrangen, Geldersch froesseln, Friesch wrachselje, Oud-Friesch wrakslia, Gijsb. Japix wraegseljen, Oostfriesch frösseln, Noordfriesch wrasten, wrüstle; Geldersch froslen = stoeien; Engelsch to wrestle, Angel-Saksisch wrakstian, wraestlian, van: vraestan = draaien, wringen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
worstelen , wratselen , (zwak werkwoord, intransitief) , Worstelen, vechten. Thans verouderd. || Welck halff vat (bier) gedroncken sijnde, de soone van Claes Gerrijts willende wratselen tegens yemant van ’t geselschap, heeft deselve daerover moeyelijck jegens sijn sone geworden ende den selven daer over gedreycht met een kan … te slaen en nyet gewilt dat sijn soone soude wratselen; ’t welck Jan van Dijck hoorende … heeft geseyt: Claes, willen de jongeluyden t’samen wratselen dat mogen sy doen; wy willen malcanderen nyet doen: wy bennen oude buyren en lange jaren buyren geweest, Hs. (a° 1644), archief v. Assendelft. – Wratselen en wrastelen is bij oudere Holl. schrijvers gewoon; zie DE JAGER, Freq. 1, 920 vlg. Vgl. voor de verwante vormen in andere talen FRANCK 1181 op worstelen, en zie WASSENBERGH 116 (wrakselen), EPKEMA (wraegselje), RICHTHOFEN (wraxlia), alsmede MOLEMA op fröseln.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
worstelen , frossĕlĕn , worstelen, uit gekheid.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
worstelen , frůsselen , frosselen , stoeiend worstelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
worstelen , wosselen , [wǫsәln̥] , zwak werkwoord , worstelen, zwoegen. Wosselen um roond te kuommen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
worstelen , froesselen , Een jongensuitdrukking voor uit kortswijl worstelen. [In Twente zegt men vroeschelen; van worstelen, worschelen, komt door de gewone verzetting van r: wroschelen, wroeschelen, en op zijn Twentsch, daar men wr niet gebruikt: vroeschelen; c. wrastelen, wratselen bij Kil.; wrisil: worstelaar, Oudd. achter Sewels Spraakkunst.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
worstelen , vroesln , werkwoord, zwak , worstelen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
worstelen , vrôzzeln , worstelen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
worstelen , vrassele , vrazzele , werkwoord , Voortdurend heen en weer bewegen (op een stoel).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
worstelen , froeselen , froeselen, efroeseld , stoeien, knuffelen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
worstelen , frosseln , frusseln, frösseln, frotseln , (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied), frösseln (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drenthe), alle ook met -zz-, frotseln (N:be) = worstelen, stoeien Do wie nog hen de schoule gungen, waren wie wal is an het frosseln, man later nich meer (Bov), Zuw is even frosseln? (Bui), Ik heb mit hum an het frösseln ewest, mar ik musse het toch verspeulen (Pes), Hie möt der tegen frosseln um klaor te kommen (Sle), Hij wrung en frösselde net zo laank tot hij vrij was (ov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
worstelen , worsteln , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. worstelen De worstelaors waren an het worsteln (Eel), (fig.) Ik ben der met an het worsteln, ik kan het niet klaor kriegen (Sti) 2. hard werken (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe) Ze mussen er tegen worsteln um tegen de wind in te kommen (Odo), z. ook frosseln
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
worstelen , wöstelen , wösselen, wòsselen , (Kampen) worstelen. Ook: wösselen (Kampereiland, Kamperveen), Gunninks woordenlijst van 1908: wòsselen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
worstelen , frosselen , wrakselen , werkwoord , speels vechten, stoeien (waarbij men elkaar vastpakt)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
worstelen , wörstelen , wörselen , (werkwoord) , wörs(t)elen, ewörsteld , worstelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal