elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gagel

gagel , gagel , (onzijdig) , gehemelte in den mond juist achter de bovenste tanden. tand-goal, id.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
gagel , gagel , Een gewas ’t welk in deze streken op broek- en heideland zeer gemeen is. Op dezelve groeit eene soort van bessen, van welke men vet of was stookte om
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gagel , gagel , (zonder meerv.) = tandvleesch, ook Gron. Geld. Neders. Holst. Westf. Ook = verhemelte; Overijs. het verhemelte juist achter de bovenste tanden; het Neders. het vleezig bekleedsel van het verhemelte, ook Gron. Kil. gaghel = het gehemelte des mondts. (v. Dale: gagel, onz., meerv gagels (gewest.) verhemelte, (ook) tandvleesch.)
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gagel , gagel , zekere plant op de lage landen, eene soort van juncus; ook Gron. Ook zekere heester, Laurus Brabantica; myrica. Bij v. Dale: gagel, benaming van een heestergewas, ten onzent slechts in ééne soort voorkomende, tot de afdeeling der katjesdragende, de klasse der tweehuizige behoorende; ook Post, Possem, Brabantsche mirt, Drentsche thee, Luis- of Vlooienkruid genoemd.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gagel , gagel , (onzijdig, mannelijk) , plantnaam.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
gagel , gagel , (onzijdig, mannelijk) , plantnaam.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gagel , gaogel , (onzijdig) , verhemelte; gagel, naam van een moerassige plaats.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gagel , goagel , het tandvleesch; ook het vleezig bekleedsel van het gehemelte. Drentsch, Nedersaksisch, Holsteinsch, Westfaalsch gagel = tandvleesch; Overijselsch gaogel = het gehemelte juist boven de achterste tanden. Kil. gaghel, v. Dale gagel = gehemelte. Zegswijs: ’n kwoad goagel hebben = gebekt en tevens kwaadsprekend zijn; synoniem met: ’n kwoaie bek hebben. – Ook eene soort van Juncus.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gagel , gaogĕl , verhemelte.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
gagel , gaogel , gagel. Gaogel bussche. Tandvlees
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
gagel , goagl , zelfstandig naamwoord, mannelijk , goaglken , gehemelte
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
gagel , goagel , tandvlees
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gagel , goagel , gehemelte.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gagel , gaogel , gagel, gaegel , gaogels , Ook gagel (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), gaegel (Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. tandvlees, ook gehemelte De gaogel is rood (Mep) ...is ezakt (Mep), As een peerd roos in de bek hef, dan is het gagel ontstökken (Pdh), Ik had het gaogel zo dunne, ik kun der haost geen gebit op kriegen (Pes), Die drupballegies blieft mij an het gaogel zitten (Dwij), Iene mit een hazemond hef een gespleten gaogel (Ruw), zie ook gehiemelte en verhemelte
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gagel , gaogel , de , gaogels , gagel, Myrica gale Wat rèuk de gaogel lekker as ze bleuide, en nao een beuigien règen was het nog kruderiger (Ruw), Het kan hum niks schelen, hie giet deur gaogel en bos hij laat zich niet weerhouden (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gagel , gagel , gaogel , Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: gaogel; zie vremelte
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gagel , gaegel , gagel, struik.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
gagel , gaogel , gagel , Gaogel lin ze vruuger tusse'net linnegoed, in de plak van motbolle. Gagel legden ze vroeger tussen het linnengoed, in de plaats van mottenballen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gagel , gaegel , zelfstandig naamwoord , et; tandvlees
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gagel , gaegel , gaogel, gagel, goegel , zelfstandig naamwoord , de; gagel: de struik of takjes ervan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gagel , [huig] , gage , gagel , 1. huig; 2. verhemelte.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal