elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: garnaal

garnaal , vliegende garnalen , “De grootere soorten van Libellulae noemt men in Groningerland bolten, donderbolten, en de schelpvisschers op de Wadden geven er den naam vliegende garnalen aan.” (Prof. Cl. Mulder Konst- en Letterb. 1855 no 51, bl. 410)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
garnaal , genélen , Garnalen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
garnaal , garnaal , garrineel , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast garrineel of garreneel. Zie de wdbb. || Vraag ers, of de visvrouw nog garrinelen heb. Toe, eet nog ’en boltje (boterham) mit garreneel. – Vgl. piepgarnaal.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
garnaal , gernoat , Stad-Groningsch voor genoat *, v. Dale geeft garnaat en gernaat als volksuitspraak voor “garnaal.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
garnaal , gneelĕn , garnalen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
garnaal , genee-genaole , gernee-gernaole , ge(r)nee-ge(r)naltsjies = garnalen. Als straatroep (Vonken en Vl., 220), maar óók als de gewone naam: motsje gin genee-genoale vandaog?
Bron: Beets, A. (1927), ‘Utrechtsche Volkswoorden en Volksgezegden’, in: Driemaandelijksche bladen 22, 1, 1-30, 73-84. Groningen
garnaal , genélen , Garnalen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
garnaal , garneêl , zelfstandig naamwoord de , Garnaal. Zegswijze ’n garneêl het ók ’n kop. 1. een leek, een niet deskundige kan ook iets zinnigs zeggen of een gefundeerde mening hebben. 2. gezegd van kinderen die kwaad worden, omdat ze hun zin niet krijgen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
garnaal , garnaal , gernaal, garnaol, garneel, grenaot , gernalen , (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook gernaal, garnaol (Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), garneel (Zuidwest-Drenthe, zuid), grenaot (Zuidoost-Drents veengebied) = garnaal Hij hef een geheugen as een garnaol (Bal), Grenaot wordt bij de visboer verkocht (Nam)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
garnaal , genele , garnaal. Een genele ef ook ’n kòp ‘een klein kind heeft ook een willetje’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
garnaal , genaeln , garnalen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
garnaal , gernaal , zelfstandig naamwoord , de; garnaal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
garnaal , gaerenet , gaernet , zelfstandig naamwoord , gaerenette, gaernette , gaerenetjie, gaernettjie , [O] garnaal Ook gaernet; Een gaernet heddôk ’n hôôd Een garnaal heeft ook een hoofd (gezegd van een eigenzinnig kind)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
garnaal , genele , genale , (zelfstandig naamwoord) , garnaal.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
garnaal , geneel ,  gerneel , 1. garnaal; 2. kleine jongen of klein meisje.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
garnaal , garnot , gòrnoot , zelfstandig naamwoord , garnaal (West-Brabant); gòrnoot; garnaal (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
garnaal , gèrnaol , zelfstandig naamwoord , garnaal; Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “…meej zon kruk meej tweej maande meej gèrnaole kwaampie hier aatij…Woutje, Woutje... Van Arnemuije (Arnemuiden), die kwaam van Arnemuije aaf èn die kwaam hier aatij leure meej gèrnaole!” (transcriptie Hans Hessels 2014)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal