elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Gier

gier , gier , voor gierig in de praattaal.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gier , gier , (onzijdig) , gier van ’t vee.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gier , gier , felle schreeuw; dou gaf ze ’n oakelke gier = stootte zij een gierend geluid uit. – (stam van: gieren, als gil, van: gillen.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gier , ier , jier, jir, jirre, jiere, ijre , gier, aalt. Zie: ie; in geschrifte steeds ier, eertijds in annonces ijre; de vloeistof die uit den mesthoop sijpelt. “Bij de heden gehouden veiling van Groninger ier zijn verkocht 30½ vrachten voor f 86.” (22 Augustus 1894). Noord-Holland ier, Geldersch aalte, Friesch, Nedersaksisch jarre, Oostfriesch jirre, jiere, jier; Oud-Friesch jere, gere, (en: ieringa = kougroup), Saterlandsch jere, Hoogduitsch Mirtjauche. (Weil.: gier = koepis, drek met water vermengd, bij v. Dale: vloeibare uitwerpselen der dieren.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gier , gier , in: an de gier wezen = aan den draai zijn, pooien, zwieren, ook OostfrieschNederlandsch gier = zwaai, zwenking, en: aangieren = met een draai of zwenking aankomen. Het woord heeft hier dus de fig. beteekenis van het Oostfriesch gîr = draai, zwier, zwaai. (Vgl. geeren = schuinsloopen, en als zeewoord = afhouden, zwenken.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gier , ier , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Gier, vloeibare mest; inzonderheid koepis. || Ier over ’et land brengen. – Ier is de Fri. vorm van Ned. gier, Ofri. iere, gere, die overal in N.-Holl. gebruikelijk is en daar reeds in de Middeleeuwen voorkomt; zie Mnl. Wdb. III, 799 op ier; Ned. Wdb. IV, 2288 op gier. Thans luidt het woord in Friesl. jarre. – Vgl. ieren, ierkar, ierkuil, ierput.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
Gier , Gier , naam van enkele landerijen: kortĕ en langĕ Gier, Berggier, Geldgier.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
gier , jirre , 1. gier. 2. smerig water
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
gier , gier , zelfstandig naamwoord de , Plotselinge uitwijking of slingering. | De wagen nam ’n gier.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gier , ier , zelfstandig naamwoord de , 1. Gier, vloeibare mest. 2. Bruinachtig vocht uit een pijp, een schoorsteen e.d.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
gier , gier , schier, schiere , bijvoeglijk naamwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Mont, Bens, Lop, Cab, Pols), schier (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk; LPW: Mont) bedorven (gezegd van eieren). Vaak wordt gier niet verbogen: gier eieren. Misschien is gier een volksetymologische verbastering (op basis van gier , mest) van schier . Een aanwijzing in die richting vormt het gegeven, dat schier meer bij oudere, en gier bij (relatief) jongere sprekers voorkomt. De vorm schier komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 114). Van Dale (1992, p. 2670) noemt schiere eieren met als betekenis: ‘bebroed maar onbevrucht, (ook) bedorven’. Synoniem: *strui . Volgens het volksgeloof zou een ei dat op Witte Donderdag gelegd was, niet gier worden. Aan zo’n ei werd een heilzame werking bij allerlei kwalen toegedicht; zie het artikel Bijgelovigheden en religiueze praktijken in het Kromme-Rijngebied in hoofdstuk 5.
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
gier , gier , gier.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
gier , gier , aalt.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
gier , gier , gier.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gier , ier , gier, jirre, jir , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe). Ook gier (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), jirre (Veenkoloniën), jir (Kop van Drenthe) = vloeibare mest, gier ’k Heb dat laand good under de ier zet (Hijk), De ier wordt veurjaors op het laand brocht (Nor), As het regenachtig weer is, dan is het de beste tied veur gier over het laand brengen (Eel), De ain zeg ier en de aander jir mor het is geliek: het stinkt slim (Eev), zie ook eel
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gier , jarre , zelfstandig naamwoord , de; gier, vloeibare mest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gier , gier , giere , zelfstandig naamwoord , de; bep. vogel: gier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gier , gier , giere , zelfstandig naamwoord , de; gier, vloeibare mest van vee
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal