elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gorig

gorig , gurrig , *gurrig, wordt van een mensch of beest [gezegd] dat niet gezond is. Ook van gereedschap dat niet in goeden staat is. Nader is my de beteekenis van dit woord niet bekend.
Bron: Berg, A. van den en H.J. Folmer (1774-1776), ‘Veluws en Drents uit de 18e eeuw’, uitgegeven door K. Heeroma in: Driemaandelijkse bladen 12 (1960), 65-83, 97-116.
gorig , gorrig , gortig , slecht, afgedragen; “mien andere boksem was wat heel gorrig” = mijn andere broek was zeer haveloos. In Gron. zegt men: moakst mie ʼt te görtig = gij maakt het te erg, bv. iemand die te veel geld verteert, of: die ongeloofelijke dingen vertelt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
gorig , [ziek, smerig] , gö̀rig , (bijvoeglijk naamwoord) , zwak, een kwaal hebbende (het uiterlijk kan hierbij goed zijn).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
gorig , gorch , zwaar ziek.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
gorig , gorg , gurg, görg , (Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook gurg, görg (wb, bet. 2: Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. niet lekker, beroerd (Zuidwest-Drenthe, zuid, wb) Hij is gurg in de balg (Mep), Ik vule mij zo görg as wat (Pes) 2. gortig (Zuidwest-Drenthe, zuid) Muj det meinse toch ies zien pronken, het wurdt veul te görg (Koe), Hij hef het wel gorg emaakt (Hgv), zie ook görtig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gorig , gorig , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = 1. vuil en versleten Die jas is gorig (Bor) 2. schraal (Zuidoost-Drents zandgebied) 3. grauw (Zuidoost-Drents zandgebied) Hie keek gorig oet (Zwin)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gorig , görrig , gorrig , (Zuidoost-Drents zandgebied, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe). Ook gorrig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) = 1. vuil, versleten, slonzig (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Noord-Drenthe) Hie zag der görrig oet (Sle), Zij kwaamp der altied wat gorrig uut smerig voor de dag (Die), Zie lopt de huile dag met een gorrig schoet veur (Erf), De weg is gorrig slecht (Flu), Ik bin gorrig in de balg voel me beroerd (Mep) 2. kinds (wb, veroud.) 3. dieptreurig, te gortig (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Het is gorrig dej alles achtermenaar opèet (sa:Rui), Het niet te gorrig maeken (Dwi), Die hef het ook arg gorrig anlegd (Geb), Die jong is gorrig ondeugend (Ruw) 4. onfatsoenlijk in woordgebruik (Zuidwest-Drenthe, noord) Hij is wat gorrig in de mond (Die), zie ook görtig
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gorig , gorrig , gorig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. vaal, grauw, ziekelijk qua gelaatskleur 2. vuil, niet net, versleten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gorig , [ziek] , gurg , gurrig , ziek, onwel, onpasselijk; zich gurrigies voelen, een ziekte onder de leden hebben.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal