elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: groep

groep , groep , (vrouwelijk) , groepen , goot, geul of bak in den koestal, waarin de mest en urine van het vee wordt opgevangen. Vroeger werd de groep van hout, nu meestal van steen gemaakt.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
groep , groep , greppel, ook Ned-Bet. en bij Hooft. In Gron. group groupe, de met stenen opgemetselde greppel achter de koeien voor de uitwerpselen van die dieren. Oostfr. grope, Noordfr. graupp, Eng. groop, Oudfr. grope, ook ieringa.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
groep , group , de met steenen opgemetselde en met hout bevloerde greppel achter de koeien; bij v. Dale groep (gewestelijk) = goot in eenen koestal; Drentsch Neder-Betuwsch groep = greppel; – ook: kougroup, kougroupe; groupmis = koemest, ter onderscheiding van anderen stalmest. Middel-Nederlandsch groepe. Klankwisselende vorm van greppe en Nederlandsch grup, grop dat is vore, greppel, riool. Zoo nog in de 17de eeuw groepe, grop. Greppel goot (Verdam). Hooft groepe, Friesch gröppe, Geldersch grup. Oostfriesch grope, Hoogduitsch Grube, Noordfriesch graapp, groop; Oud-Friesch grope, ook: ieringa, Noord-Engelsch groop, Oost-Engelsch grup. Zie ook: geut, en: grup en vgl. groef, groeve.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
groep , groep , grop , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Daarnaast soms nog grop. Zie Ned. Wdb. V, 859 vlgg. – Behalve de algemeen gebruikelijke betekenis bezigt men het woord ook voor school, menigte; van vis. || ’En grop vissen. De groep krijgen (bij het vissen een school treffen en dus veel vangen). Overdr. zegt men ook: “hij heb de groep” als iemand bij het kaartspelen alle slagen krijgt. – De vorm grop was vroeger meer gebruikelijk. Vgl. SOETEBOOM, S. Arc. 18: “Aldus de groote van Batavia overgesien hebbende, magh ick de volkeren met Plinius in haer groppen, en gedeelten onderscheyden.”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
groep , groep , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Zie Ned. Wdb. V, 857 vlg. – 1) Groeve, greppel. In deze algemene zin verouderd. || (Mij) heeft ... verhaalt eenen Claes Botter van Ackersloot ... , dat hy selver gesien heeft, ontrent Uyt-geest, een groep, waer in een ontallijcke menighte doode beenderen over een hoop gesmeten waren, SOETEBOOM, Vronen 133. – Evenzo in het Mnl. en bij PLANTIJN en KIL.; zie Mnl. Wdb. II, 2156. In de 17de e. ook bij HOOFT; zie OUDEMANS, Wdb. op Hooft 124. 2) In een koestal. De gemetselde goot achter het vee, waarin de uitwerpselen worden opgevangen. – Het woord is gebruikelijk in geheel N.-Holl. Evenzo Fri. groppe, Gron. group, Oost-Fri. grôpe, grôp, enz.; zie de wdbb. 3) In een pelmolen. De bak onder de kuip, waarin het pelmeel wordt opgevangen. De afval van de garst, die gepeld wordt, valt door de gaatjes van het blik in de groep. Het pelmeel wordt daarna uit de groep geschept in het pelmeelhok.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
groep , group* , Hoogduitsch Grube = groeve. Het Engelsche woord “groop” komt alleen gewestelijk voor, evenals het door ten Doornkaat aangehaalde “grup”: zie Th. Wrightʼs Provincial Dictionary. Ten Doornk. geeft “groop” als Noordfriesch op. Vergel. verder grup * (bldz. 138 en 522, ook de aanteekening) en zie ook geut *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
groep , greupĕ , greppel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
groep , gröupe , gruppe , vrouwelijk , greppel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
groep , groep , grip, grùp , v , mestgoot.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
groep , gruupke , o , groepje
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
groep , groube , group , grup (in de veestal)
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
groep , groep , zelfstandig naamwoord de , Gemetselde goot in de koestal waarin de urine en de uitwerpselen belanden. Het woord is verwant met het werkwoord graven. Vgl. greb(be), Fries groppe en zie het N.E.W. onder groep 2 en greb.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
groep , groep , zelfstandig naamwoord , brede goot achter de koeien, waarin de uitwerpselen vallen (KRS: Hout; LPW: Bens, Lop) Zie hoofdstuk 4 punt 1: de boerderij . Ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 62). Vroeger was men niet gauw vies van iets. Als de boerin het *melkstuk naar de *deel bracht, en de boer of de knecht was nog bezig met melken, dan zei deze: ‘Leg het maar even neer op de groep’. (LPW: Bens)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
groep , groep , de , groepen , groep, troep Ze waren mit een heile groep bie ’nkannerk (Bco), Zie stunden in groepies bij mekaar (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
groep , gruuppien , groepje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
groep , groep , zelfstandig naamwoord , groepe , groepie , afvoergoot voor mest in een koeienstal
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
groep , groep , (zelfstandig naamwoord) , grupien , groep. Wi’j bint met een klein grupien bi’j mekaere.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
groep , gruupke , groepje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
groep , groep , zelfstandig naamwoord , mestgoot achter de koeien (Tilburg en Midden-Brabant; Helmond en Peelland; West-Brabant); groep; voedergoot in de koestal (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
groep , gruupke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , groepje; WBD III.3.1:36 'groepje' = gezelschap
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
groep , groep , groepe , gruupke , groep
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal