elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: groeve

groeve , grôve , (vrouwelijk) , begravenis. Noa de grôve goan, ter begravenis gaan.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
groeve , groeve , Boerenbegrafenis; groevenmoal, boerenbegrafenismaal, waar ongemanierd gedronken, maar vooral ontzettend veel gegeten wordt; deze malen zijn zeer kostbaar en dikwerf richten ze een heel gezin te gronde; groevebollen, bollen voor het begrafenismaal opzettelijk gebakken, waar er nog al zoo eenige van geconsumeerd worden; groeveneuger, uitnoodiger tot het bijwonen der groeve, die, waar hij verzoeken komt, goed wordt onthaald, elders groevebidder, geheeten, gelijk men ook bidder, begrafenis-bidder voor aanspreker heeft; vergelijk Ypey, Taalk. Aanm. 1807, blz. 22 - 24 en Hoeufft, Bredaasch Taal-eigen, blz. 374. Wie meer van zooʼn begrafenis-partij wil weten, leze, voor zoo veel Drenthe betreft, van Schaicks Drentsch Dorpsleven, II. 24, Overijsel (Zwolle) C. Janssen Rz., het Zwolsche Arkadia, Kampen 1849, blz. 23, (Markelo) G. Benthem, Overijselsche Alm. Oudh. en Lett., 1845, blz. 166, Gelderland (Oldebroek) J. van Zwaluwenburg, Geld. Volks-Alm. 1850, blz. 85. ʼt Zal wel overbodig zijn aan te merken, dat groef of groeve het imperfectum is van graven, begraven en weêr een werkwoord groeven vormt. Bij Huygens, editie Bild. IV, 347, lees ik: ‘ʼk Ging self om sijnent wil, en volghde ʼt Lijck te groef.’ waar Bilderdijk bij aanteekent, VI. 337: ‘oud. Mijne Overgrootmoeder sprak nog wel eens zoo, als zy met een oud bestjen in gesprek raakte.’ Te Zuidbeveland zegt men voor te begraven gaan: ‘te like gaan,’ en voor begrafenismaal: ‘likmael,’ Nieuw Nederl. Taal-Magazijn, II. 227.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
groeve , [begrafenis] , groeve , begrafenis, ook: begrafenismaaltijd, Westerw. (Gron.) grouve (= begrafenisplechtigheid); Overijs. gróòve, Geld. groêve = begrafenis. (v. Dale: groef, groeve = graf, grafplaats, grafkelder, en: te groeve bidden = ter begrafenis noodigen). Zie ook: uiting.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
groeve , grôve , (vrouwelijk) , begrafenis.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
groeve , grouve , zie: utigst.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
groeve , [begrafenis] , groevĕ , begrafenis.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
groeve , grouve , vrouwelijk , begrafenis
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
groeve , groeve , Te groeve gaan zeggen de Boeren hier omstreeks voor ter begraafnis gaan; schoon zij ’t woord groeve alleen niet voor graf gebruiken hoe zeer het daar van de beteekenis heeft. Zie Kiliaan. Het groeve-maal is het onthaal, welk ter gelegenheid eener begraafnis gegeven wordt.
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
groeve , groowe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , groown , begrafenis
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
groeve , grouve , (ouderwets), begrafenis
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
groeve , groeve , grove, grouve , groeven , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook grove (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), grouve (wb:Noord-Drenthe). Woord veroudert = 1. begrafenis, ook begrafenismaal De manleu dreugen bij de grove een zwarte pette (Bei), Oonze naoste buurman hef het of elegd; dingsedag is de grove (Die), Dat was een hiele groeve (Dwi), Zij gungen lopens naor de groeve (Hgv), Zie hebt oes op de groeve neugd (Sle) 2. het graf (Zuidwest-Drenthe, zuid, Veenkoloniën)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
groeve , grôêve , (Kampereiland, Kamperveen) 1. begrafenis; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: graf
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
groeve , groef , groeve, graf; te groef brengen, begraven; te groef komen, op de begrafenis komen (W.-Veluwe); groefbidden, uitnodigen voor een begrafenis.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal