elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: guizen

guizen , [ruisen] , goezen , ruischen, bv. het geluid in de lucht bij eene hagelbui; ʼt goesde nogal in de buie. Gron. goezen = met geraas vloeien; ʼt goestʼr oet = ʼt stroomt er met geweld uit; ʼt water komt er angoezen = aanbruischen. Noordfr. use = gieten; hat uset dähl = het regent dat het giet; het ziet dus alleen op het stroomen der vloeistof, niet op het geluid waarmede dit vergezeld gaat.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
guizen , goezen , met geraas vloeien; schuimend spatten;’t goest ’r oet (uit het vat) = ’t stroomt er met geweld uit, ’t gutst er uit; ’t woater komt ’r angoezen = aanbruisen; “dat ’t schoem over de zeediek goest.” – Ook voor het zingen van kokend water. Vgl. roazen. Drentsch goezen = gonzen, ruischen, bv. het geluid in de lucht bij eene hagelbui. Noordfriesch use = gieten; hat uset dähl = het regent dat het giet.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
guizen , goesen , goezen , (zwak werkwoord, transitief) , Daarnaast vaak goezen. Bij het knikkeren in een kuiltje. Een knikker met de vlakke vinger voortschuifelen. Hetz. als goffen. || Je moete de knikkers in de koelk (kuil) goesen. Je kenne (kunt) niet goezen. – In andere streken heeft goesen, goezen, de bet. van met geraas stromen, gutsen; in Vlaand. is goeschen ook werpen, smijten. De Ned. vorm van het woord is guizen (KIL.). Vgl. Taal- en Letterb. 2, 275; SCHUERMANS 159; Mnl. Wdb. 11, 2052, KOOI.MAN 1, 708. – Vgl. goes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
guizen , goezen* , vergel. roazen *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
guizen , goezĕn , zwaaien, 84.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
guizen , gůůzen , zwak werkwoord , sterk stromen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
guizen , goezn , werkwoord, zwak , suizen
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
guizen , goezen , zwak werkwoord, onovergankelijk , 1. gonzen, suizen, met sterk geruis of lawaai gaan Het goest mij in de oren (Dal), Muj de wiend heuren goezen! (Eli), De melk goest de emmer in (Sle), Het waeter goest uut de geute in de tunne (Die), Toe as de slachter het varken stak, goesde het bloed der uut (Ruw), Hij goesde rond op zien bromfietse (Mep), De moezen, die goest over de zolder rennen (Pes), Ik wit niet wat ik hebbe, het goest mij de hele dag deur de kop suist (Hijk) 2. moeilijk ademen (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Dat peerd is zo demp, hij goest het oet (Sti), Het goest hum in de borst (Pdh) 3. zeuren (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Iene um de kop goezen zeuren (N: dk), Hol toch op te goezen, ie hebt ok aid wat (Bei)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
guizen , gôêzen , 1. stortregenen; 2. naar beneden vallen van een grotere hoeveelheid fijn spul
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
guizen , goezen , werkwoord , 1. suizen, een sterk suizend geluid maken 2. bruisend, suizend stromen 3. met grote kracht suizen, in suizende vaart gaan 4. suffen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal