elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haantje

haantje , [lieveheersbeestje] , hennĕchien , geelĕ hennĕchien, lieveheersbeestje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
haantje , hantje , mannelijk kuiken.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
haantje , haantien , het , haanties , 1. haantje Hie is aaid haantien de veurste wil altijd de eerste zijn (Sle) 2. in haantien op een stokkien gebruik met Palmpasen bij het lopen met palmhanen onder het zingen van Haantien op een stokkien / Met zien rood, rood rokkien / Haantien op zien linkerpoot / Mörgen is mien haantien dood (Pdh), ...biet ies van mien brokkie / Biet ies van mien stokkie brood / Morgen giet mien haentie dood (Dwi), ...Het giet oe deur oen rokkien / Het giet oe deur oen linkerpoot / Morgenvroeg is het haantien dood (Ruw), ...gattie deur zien rokkie... (Hijk) en andere varianten, z. ook palmhaan, haonebrood
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal