elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: haargoed

haargoed , [gereedschap om zeis en zicht te scherpen] , haargood , haargoed , haargereedschap = haartuug; het gereedschap om zicht en zeis te scherpen. Daar toe behoort het haarspit, eene ijzeren bout met een platten kop, die in den grond wordt gedreven, en eene soort van hamer, de haarhamer, waarmede het werktuig plat wordt geslagen. Gron. ’t spit, ’t hoarspit, alsook hoartuug; Oostfr. Neders. haartüg, (dat is: haarhamer, haarspeet en haartau) Holst. haartüg, Oostfr. haargôd.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
haargoed , haargoed , hamer en spit om een zeis te wetten.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
haargoed , heergoed , zelfstandig naamwoord , en var. et; haarspit en haarhamer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal