elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Hans-mijn-knecht

Hans-mijn-knecht , hansmienknecht , zooveel als: onderdanige dienaar; veur hansmienknecht speulen = voor dat oogenblik, of: op dien avond bediende of handlanger zijn. – Ook de naam van een jongensspel, ’t welk aldus wordt gespeeld. Er staat eene rij knapen tegen één muur geschaard. Twee er van worden gekozen voor: Meneer, en: Hansmienknecht. Hans gaat op een’ afstand staan terwijl Meneer elke van de rij een’ naam afvraagt; no 1 geeft bv. op: golden hoes; no 2: zulvern toren, enz. Nu roept Meneer: Hansmienknecht! en deze antwoordt: Wat blijft Meneer? waarop deze bevelend zegt: Hoal mie dit en hoal mie dat, En hoal mie zulvern toren oet stad! zooveel als: breng no 2 bij mij. Wijst Hans een’ verkeerde aan, dan schudt Meneer met het hoofd en zegt: slecht! Alsdan roept deze een’ anderen naam af, telkens met dezelfde woorden. Raadt Hans het, dan wordt de aangeduide persoon bij Meneer gebracht. Deze heeft met zijn knecht de namen van twee dingen bedacht, waartusschen die knaap nu heeft te kiezen. Zoodoende worden de spelers in twee partijen of rijen verdeeld, die zich schrap zetten en hun best doen om elkander over eene streep te halen. Die overgehaald wordt voegt zich bij de tegenpartij tot er eindelijk niet één meer overblijft, en waarmede het spel is afgeloopen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Hans-mijn-knecht , Hansje-m’n-knecht , Zeker kinderspel. De kinderen gaan op een rij zitten op twee na, de acteurs: een heer en een knecht. De heer vraagt fluisterend aan elk der kinderen, wat ze wenschen te hebben. Daarna zegt met luider stemme: De heer. Hansje m’n knecht! De knecht. Wat blief meneer? De heer. Haalt er me dit is uit, haalt er me dat is uit, haalt er me (b.v.) den gouden sleutel eens uit! Nu moet Hansje het kind aanwijzen, dat “een gouden sleutel” gewenscht heeft. Gelukt hem dit niet, dan vraagt de heer iets anders. Dit gaat zoo voort tot alle kinderen “er af” zijn. Gron. Hans-mien-knecht. (Molema.)
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
Hans-mijn-knecht , hans mĕ knecht , kinderspel, 11.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
Hans-mijn-knecht , [spel] , Hansje-m’n-knecht , Zeker kinderspel. De kinderen gaan op een rij zitten op twee na, de acteurs: een heer en een knecht. De heer vraagt fluisterend aan elk der kinderen, wat ze wenschen te hebben. Daarna zegt met luider stemme: “De heer: Hansje mijn knecht!” “De knecht: Wat blief, meneer?” “De heer: Haalt er me dit is uit, haalt er me dat is uit, haalt er me (bv.) den gouden sleutel eens uit!” Nu moet Hansje het kind aanwijzen, dat “een gouden sleutel” gewenscht heeft. Gelukt hem dit niet, dan vraagt de heer iets anders. Dit gaat zoo voort tot alle kinderen “er af” zijn. Gron.: Hans-mien-knecht. (Molema.)
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal