elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hart

hart , herte , (onzijdig) , harten , hart; he(r)telik.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
hart , herte , hete , (onzijdig) , hart.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
hart , harte , hate , (onzijdig) , harten , hart.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hart , hart , harte , in: ’t hart is zōnd (gezond) = zōnd van harten wezen, zooveel als: wel lijdende zijn, maar toch goeden eetlust hebben, zich niet ziekelijk gevoelen; ’t hart lacht hōm = hij heeft een stil genot, hij verheugt zich innig; eigenlijk: zijn hart lacht; ’t hart knipt joe dicht (of: ijn dicht) = ’t is deerniswaardig; ’t mout zien hart ophoalen = daar zullen wij niet over malen, er kome van wat wil; ’n hart hebben as ’n klōmp, ook: as ’n kloeze = groothartig, trotsch, verwaand zijn; ik ken ’t nijt over mien hart kriegen = ik kan er niet toe komen omdat mijn gevoel er zich tegen verzet; leven as ’n hart of: leven as harten, wordt van gevangen visch gezegd die nog spartelt; mōst mie ’t hart nijt hebben en doun dat, enz. = ik verbied het u ten strengste, enz.; heb ’t hart ijs! = waag het eens! als waarschuwing; “dog dat niemant van de weeskinderen het herte hebben om sulk een jonge, die gestolen heeft, eenigsins te slaan of eenig quaad an te doen”. (Notulen Groene Weeshuis, 1720); iemand met iets bie ’t hart kriegen = op zijn gevoel werken en zoo in eene, ten opzichte van den bewerker of zijn voorstel, gunstige stemming te brengen, tot medelijden, enz. te bewegen; schertsend voor: vleien. Spreekwoord: Woar ’t hart vol van is sprekt de mond van, bij v. Dale: “(gewestelijk) waar het hart vol van is spreekt de mond van, of: loopt de mond van over = men spreekt gaarne over zaken waar men het meeste aan denkt” = uit de volheid des harten spreekt de mond. Zie aldaar ook art.: hart.
hart, hartekoren; harte; liefkoozingswoordje van moeders tegen zuigelingen, steeds met: mien (mijn) voorop. Zooveel als: uitverkorene mijns harten.
blieder harten, zie: blied.
van harten = terdege, inderdaad, niet voorgewend of ingebeeld; hij ’s van harten zijk = hij is werkelijk ziek, zeer ziek; van harten zōnd = goed, volkomen gezond; ’t is joe van harten gund = ’t is u wèl gegund, van heeler harten, ’t is goede meening; ’t gait (of: ’t geit) nijt van harten = ’t gaat met tegenzin; (bijwoord uitdrukkingen voorzeker ook Nederlandsch maar niet voorkomende bij v. Dale); zōk van harten zal reeren = van smart de tranen vrij laten vloeien. Wordt iemand om of met eene nietigheid geluk gewenscht dan is dikwijls het antwoord: dank joe as’t van harten komt, en dit is ook het geval als iemand die niest, toegevoegd wordt: welbekoomt! (wel bekome het u!)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hart , hart , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Het lichaamsdeel. Zie zegsw. op water. – Ook een onderdeel van een pomp. Een cilindervormig stuk hout, dat in de pomp wordt geschoven, boven de sluitklep (hartklep), en waarboven de zuiger werkt. Het hart heet ook pomphart. || De Pomp met Pompstok, Hart en Emmer, Catal. afbraak papiermolen (W.-Zaandam, begin 19de e.). Twee harten en twee emmers, een partij ypen harten en emmerhout (hout voor emmers) Verkoopings-Catal. (Koog, a° 1793). Twee pompharten en een roedslei, Invent. molenmakerij (Zaandijk, a° 1846), Zaanl. Oudhk. In deze zin ook elders bekend. – Vgl. armhart, armhartig, bitterhartig, burgerhart.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hart , hart* , “zijn hart ophalen” in ’t Nederlandsch = tot verzadigens genieten; “van zijn hart geen moorkuil maken” is algemeen Nederlederlandsch; ʼt hart knipt (= knijpt, nijpt) ijn (of joe) dicht = ’t is een deerniswaardige toestand; zie ook van harten * (bldz. 572, en ook de aanteekening); “gezond van harte” ook elders.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hart , van harten* , (bl. 572): ʼt gait nijt van harten = het gaat met tegenzin; “van harte” en “van harten” beide Nederlandsch, hoewel niet bij v. Dale: ʼt laatste o.a. in Gez. 26 vs. 5.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hart , hart , ik heb oe ĕn hartien, zegt iemand triomfantelijk tegen een ander, die hem iets niet kan na doen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hart  , hert , hart. Zien hert geit aope, hij is milddadig. Ein hertig wöördje, een hartig woordje.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hart , hatte , onzijdig , hart. Gezoond vån hatten zegt men van een zieke, die nog goede eetlust heeft.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hart , hatte , zelfstandig naamwoord, onzijdig , hart. Woer ik t hatte hebbe, hef hee ginnen steen, ieder heeft menselijk gevoel; eenn n hatte in t lief kùjrn, iem. moed inspreken; hatjen, vlieger in hartvorm; gezond van hatn, goede eetlust hebbend; op t hatte trekng,
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hart , hart , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze z’n hart slaat as ’n lammeresteertje, zijn hart bonst hem in de keel. – ’t Hart koukt uit je loif, je walgt er van. – Hai het ’n hart as ’n muizekeutel en den nag hol, hij heeft geen hart, geen (mede)gevoel. Verkleinvorm hartje, in de zegswijze ’n kloin hartje hewwe, gevoelig zijn, gevoeliger zijn dan men denkt. | Hai doet wel erg stoer en onverskillig, maar hai het ’n kloin hartje.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hart , hätte , hart.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hart , hätte , hart; * de taal van ’t hätte kent mennig dialekt: de liefde spreekt vele talen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hart , hart , harte, haart, herte , harten , Ook harte (Zuidwest-Drenthe), haart (Noord-Drenthe), herte (N:Zuidwest-Drenthe) =1. hart Hij hef het mit het hart, hij mot kalm an doun (Bov), Die kerel hef gien hart heeft geen durf, ook: is hardvochtig (Sle), Die man hef een harte van gold (Dwi), Hij hef gekriebel an het harte is verliefd (Hgv), Hij hef het harte op de goeie stèe is rechtschapen, eerlijk (Dwij)), Van harten gefeliciteerd (Sle), Dat geet niet van harte (Hijk), Ik was het der van harten met iens (Sle), Jonge, jonge, daor drèeit je het hart ja van in de pokkel (Gas), Ik holle mien harte vaaste ik vrees dat het niet goed gaat (Dwi), Van harten is het een best mèensch of Van harten wol e wal gèern hen, mor hie mug niet (Sle), of Hij was van harten nich zeik eigenlijk (Bov), Eet je mor van harten zat heerlijk zat (N:Sle), Ik gun het oe uut de grond van mien harte (Ruw), In zien haart was e der van overtuugd (Eex), Ik heur, hij hef daor zien hart verleuren (Bei), Hij hef hart veur de zaak is toegewijd (Eri), Iene een goed hart toedragen (Pdh), Der vaalt mij een steein van het hart (Bal), Hie hef een hart van stien (Dal), Daor kuj oen harte ophalen genieten (Mep), Iene een harte onder de rieme steken (Hol), Dat giet mij nao an het hart dat raakt me (Pdh), Ze deden dat wark met hart en ziel geheel toegewijd (Zwe), Hij is timmerman in hart en nieren (Gie), Het harte zinkt hum in de schoenen hij verliest de moed (Wsv), Zeg maor, waj op het harte hebt (Ruw), Bij heur hef zie heur hart uutstört (Wei), Het harte stun mij zowat stille nl. van schrik (Die), Iene wat op het hart binden (Pdh), Het komp oet een goed hart het is goed bedoeld (Man), Heb het hart ies (Pdh), ....in de pokkel (Bco), ...in oen donder um det te doen waag het eens (Koe), Zie striekt de haand over het hart geven toe (Sle), Het is je van harte gund (Oos), Hè, dat is mij een pak van het harte (Ruw), Kuj dat aover oen harte kriegen? over je hart verkrijgen (Mep), Hie beloofde het met de haand op het hart (Sle), Hie hef een hart as een grauwe arft hij heeft een groot woord, maar een klein hartje (Dro), Die hef het harte te hoge is hoogmoedig (Hol), of Het hart lig er hoog in (Nor), Het hart klopt mij achtentachtig (Bal), ...klöpt mij as een rottekeutel (Hav), ...klopte mij in de hals ik was nerveus (Pdh), Hij hef een groot hart is edelmoedig (Bco), Hij hef het hart op de tong (Hoh), Hij maekt van zien harte gien moordkoele (Dwi), Dat giet je deur hart en nieren door merg en been (Klv), Hij hef een harte as een knienekeutel Ruw), ...een haart as een boeskool is erg bang (Row) 2. kern Het hart van een boom (Sle), Het hart van de pomp zat vaast de klep (Zey) *Waor het hart vol van is, stroomt de mond van over (Een), ...vloeit... (Pdh), ...lop de mond van over (Eev); Ieder hart hef zien smart (Die); Wat het oog niet zöt, het hart niet deert, ... het hart niet kwelt (Sle); Beter een sinaasappel uut het harte / Dan een tientie mit smarte (Hgv); Bitter in de mond maakt het harte gezond (Ruw); Oet het oog, oet het hart (Dal); As kinder klein bint, trapt ze je op het klied, as ze groot bint op het hart (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hart , hàrt , hert , hart, lef. Hèt ’t hàrt ’s um dè te doén, heb het lef eens om dat te doen
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hart , ätte , hart. Ie ebben ’t ätte te oge zitten ‘je bent hoogmoedig’, A-j ’t ätte in oe lief ebben! ‘heb het lef eens!’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hart , hârte , hart.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hart , ôn’t hart , aan het hart , És z’t nie ôn’t hart hébbe, dan hébbe z’t ôn durre start. Als ze het niet aan hun hart hebben, hebben ze het aan hun staart. Mensen die altijd ergens iets voelen wat niet goed is.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
hart , hatte , hat , zelfstandig naamwoord , et; hart
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hart , hart , zelfstandig naamwoord , harte , hartie , [O] front of borst van een overhemd Kijk, hij hait een wit hart voor Kijk, hij heeft een wit overhemdfront
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hart , ärte , (zelfstandig naamwoord) , hart.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hart , hert , (onzijdig) , herte , hertje , 1. hart 2. kern, middelpunt , Aan ’t Heilig Hert = bij het Heilig Hartbeeld aan de voet van de Kerkberg. Det geit mich aan ’t hert. Ei klein hertje höbbe. ’t Hert oppe tóng höbbe. Höb ’t hert neet det te doon! Mèt hert en zieël get doon.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hart , hart , zelfstandig naamwoord , hart; Kernkamp, Dialectenquete 1879: in 't haart - in het hart; Brabantse spreekwoorden (Mandos): hèbbe ze et nie ònt hart, dan hèbbe ze et èn de start (Handschrift Daamen 1916) - ze voelen altijd wel iets, zijn altijd wel een beetje ziek; Brabantse spreekwoorden (Mandos): in iemes zen hart begraove liggen as en boerekónt in en turkslèère broek (Handschrift Daamen 1916) - in iemands hart gesloten zijn; Brabantse spreekwoorden (Mandos): kóm òn men hart, want ge ruukt nòr sneevel (Handschrift Daamen 1916) - Schertsende liefdesverklaring van een drinker aan zijn glas; Brabantse spreekwoorden (Mandos): et pinneke van zen hart hangt in de strónt (N. Daamen (handschrift 1916) – ) - antwoord op de vraag 'Waarom is hij zo klein?'; WBD III.1.3:132 'hartje' = borststuk v.e. schort; WBD III.1.3:262 'hartje' = medaillon; ook 'kastje'; WBD III.1.4:185 'hart' = gemoed; hèrt; hart; Kernkamp, Dialectenquete 1879:  - mi hert en ziel - met hart en ziel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hart , hárt , hárte , hártje , hart
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal