elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heisteren

heisteren , heisteren , (intransitief werkwoord) , klimmen, klouteren, wurmen, wroeten, met veel moeite en tegenstribbeling zijn doel te bereiken. Dat is een geheister, hij heeft er wat om moeten heisteren. De beteekenis is: ergens met moeite door worstelen.
Bron: Bouman, J. (1871), De Volkstaal in Noordholland, Purmerend.
heisteren , heisteren , (zwak werkwoord) , zich hevig uiten, spektakel maken (van kinderen); zik heisteren, zich opwinden bij daad of woord.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
heisteren , haistern , heistern , een voorwerp, bv. een meubelstuk door wrijven, schuren, enz. ter dege schoonmaken, poetsen; ook = stoffen, afvegen, ragen; ’k heb ’t kamnet haistert, hij glimt as ’n spijgel; de schuur haistern (Fivelgoo) = de schuur eener boerderij van spinnewebben en stof reinigen, bv. in ’t voorjaar. – Ook = overhoop halen, van zijn stel brengen, omhalen, dat als een gevolg van de eerstgenoemde beteekenis moet worden aangemerkt. Friesch heisterjen. – Noord-Holland heistern = klimmen, rondloopen of op andere wijze veel drukte maken zonder bepaald doel; Overijselsch huusterig weer = onstuimig, buiig, onstuimig weder; Oostfriesch haistern = den wildebras spelen, van meisjes gezegd. Zie: haister.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heisteren , heisteren , Ravotten, joechteren, draven, wild spelen. Jonge, gaot tòch is zitten, î heb ’n höfd as vü̂r van dat heisteren (geheister). Ook O.-Fr. en N.-Holl.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
heisteren , heisteren , (haistǝrǝ) , (zwak werkwoord) , 1) Transitief Jagen, jachten, tot onnodige spoed aanzetten. || Je moete niet zo heisteren we hebben nog tijd zadder (genoeg). 2) Intransitief Gejaagd en driftig bezig zijn, veel nodeloze omhaal maken. || Je moete ʼet kalmer doen, je heistere zo. Ze heistert altijd. – Vandaar ook wurmen, veel moeite doen om een doel te bereiken. || Hij het er wat om heisteren moeten. – In de Beemster is heisteren wroeten, wurmen, en wild spelen, klimmen, klauteren (BOUMAN 40). Het woord komt in soortgelijke betekenissen in vele dialecten voor; zie FRANCK op heisteren, EPKEMA op heysterjen en MOLEMA op haisteren. – Vgl. heister, heisterig.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heisteren , huistĕrĕn , al te bedrijvig zijn.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
heisteren , heisteren , Ravotten, joechteren, draven, wild spelen. Jonge, gaot tòch is zitten, î heb ’n höfd as vü̂r van dat heisteren (geheister). Ook O.-Fr. en N.-Holl.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
heisteren , häisteren , zwak werkwoord , haasten, overhaasten
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
heisteren , hàejstrn , werkwoord, zwak , aandrijven, haasten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
heisteren , haistern , met lawaai en drukte zijn werk doen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
heisteren , hoistere , hoinstere, hienstere , werkwoord , 1. Jachten, druk en hinderlijk bezig zijn. 2. Vervelend zijn. 3. Klauteren. 4. Wroeten, rommelen. Mogelijk houdt het woord verband met het zelfstandig naamwoord haast. Zie het N.E.W. onder heisteren. Vgl. Fries heisterje. De vorm hienstere wordt o.a. in De Weeres gebezigd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
heisteren , heisteren , 1. stoeien. 2. drukte maken.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
heisteren , heisteren , heisteren, eheisterd , 1. stoeien; 2. drukte maken; 3. een moeilijk karwei klaren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
heisteren , heistern , haistern, haaistern , Ook haistern (Kop van Drenthe, Veenkoloniën), haaistern (Kop van Drenthe) = 1. druk bezig zijn Wat heb ik er tegen moeten heistern um het daon te kriegen (Wap), Most hom daor is haistern zain hard werken (Eco), Daor was hiel wat te heistern er was veel werk te doen (Sle) 2. tillen, dragen, omhoog brengen of trekken (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) Woj mij der even over heistern (Sle), Ik mus der aordig tegen heistern um de garven boven op de miet te kriegen (Oos), Naor baoven heistern naar boven trekken (Hgv) 3. lawaai maken, druk spelen (Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) De kiender bint an het heistern (Dwi), Die vrouwlie stunden daor te haaistern! (Row), Het is op het heden jannewaori en het is störmachtig, het regent en het heistert en döt aal mor an (ku), zie ook huistern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heisteren , huistern , huustern , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied). Ook huustern (Zuidoost-Drents zandgebied) = 1. veel praten, een grote mond hebben (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) Hie huistert der hiel wat an of praat veel en schept steeds op (Sle), Zij was mij gisteraovend toch weer an het huistern (Sti) 2. er flink tegen werken, de boel op de kop zetten (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe) Mien vrouwe was aordig an ’t huistern, ’t hiele huus stund op de kop (Ruw), Die mot der aordig tegen huistern um ’t klaor te kriegen (Sle), ’t Mèensk zit der in um te huistern as een zwien in ’t stro (Gas), zie ook heistern
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heisteren , eisteren , 1. tekeergaan. Eur em ies eisteren tegen zien kienders ‘hoor hem eens tekeergaan tegen zijn kinderen’; 2. wild stoeien; 3. hard werken. IJ zit alsmaar in de skure te eisteren ‘hij is alsmaar hard aan het werk in de schuur’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heisteren , heistern , drukte maken. Iej gaot der veuls te veule heistern met de kiender in de schoele.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
heisteren , heisteren , werkwoord , 1. druk bezig zijn met het opruimen e.d. 2. ongedurig heen en weer lopen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heisteren , eisteren , (werkwoord) , eisteren, e-eisterd , stoeien, dollen, duvelen (niet kwaad bedoeld). Zie ook: douwelen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
heisteren , heisteren , hiesteren , 1. lawaai schoppen; 2. jachten, tot spoed aanzetten.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal