elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heisterig

heisterig , [onstuimig, wild] , huisterig , (bijvoeglijk naamwoord) , onstuimig (van het weer).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
heisterig , haistêrg , wild; Friesch heistrich = bewegelijk. Vgl. haister.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heisterig , heisterig , (bijvoeglijk naamwoord) , Gejaagd, driftig bezig zijnde. Zie heisteren. || Wat ben-je heisterig, doen toch wat kalmer.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heisterig , huistĕrĕch , druk, beweeglijk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
heisterig , huisterig , winderig, stormachtig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
heisterig , huisterig , enigszins stormachtig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
heisterig , huisterig , huusterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe). Ook huusterig (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents zandgebied, po) = 1. druk pratend, rumoerig (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) ’t Gaot der huusterig umme weg (Flu), ’t Is in dat gezin nogal wat huusterig (Exl), Die jongen bint zo huusterig, wij kriegt slecht weer (Zdw) 2. winderig, regenachtig (Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied) ’t Zal wel regen worden, ’t is zuk huisterig weer (Ruw), zie ook bluisterig 3. berouwvol (po) Op ’n vrijdag was R nog wat huusterig in de hoed en kuj nog wel ies wat mit hum proten (po) *Huisterig wèer is beunzingswèer (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heisterig , uisterig , uusterig , (Kampen, Kampereiland) onstuimig (gezegd van het weer). ’t Is uisterig weer. Ook: uusterig (Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heisterig , huistereg , winderig. ’t Weer is ’n bettien huistereg, störm kan ’t niet enuump wordn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
heisterig , huisterig , huisterig weer, winderig (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal