elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoepel

hoepel , houpel , hoepel, als speeltuig; van houpen moaken de jonges houpels. Zie: houp.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hoepel , hoepel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , vgl. hoep.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hoepel , hoepĕ , hoepel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hoepel , hoepel , ronde ijzeren ring + drijfstokje.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hoepel , hoepel , hopel, hooupel, houpel , de , Ook hopel (Midden-Drenthe), hooupel (Midden-Drenthe), houpel (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = 1. hoepel Achter zu’n houpel kuj joe wel doodlopen (Pei), Hoepeltien jagen met een gaffel vast of lös wuur een bult daon (Pdh), Hoepeldie jagen is een aold fietsewiel zunder speken rollen met een stokkie in de gleuve (Bei) 2. ijzeren band om een wagenwiel, over een klomp of om een ton De hoepel lig er haoste of (Eli), ...is van het rad lopen (Eri), De holten tonne is kepot de hoepels binnen er of egaone (Mep), zie ook hoep
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoepel , oepel , hoepel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoepel , oepel , (zelfstandig naamwoord) , hoepel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal