elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hond

hond , hond , In den hond werken, beteekent vernielen, bederven.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hond , hond , brok veen, dat in den naastgelegen, reeds uitgegraven veenput valt. Een grooter stuk wordt kalf en het grootste koe genoemd. Het uithalen dier brokken heet bij de turfgravers de hond schoonmaken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hond , hond , (mannelijk, onzijdig) , hündjen , hond.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hond , hond , Zegswijs: doar wi’k gijn hond in wezen = daaraan wil ik mij niet onttrekken, daarin wil ik geen spelbreker zijn, (ook Oostfriesch, Holsteinsch); doar is hij gijn hond in = in zulke gevallen is hij altijd scheutig, die kosten zijn hem niet te groot, zulk eene opoffering wil hij zich wel getroosten; om de hond (of: dood) nijt! = dat kan, dat mag volstrekt niet! dat zal nooit gebeuren! Van slecht weder zegt men: ’n boer (of: ’n goie boer) jacht zien hond ’r nijt oet, Holsteinsch en weder dat men keen hund utjagen much; Friesch: It is in waer dat in goed boer stjûrt syn houn der net út. mak as’t hondje wezen = zich niet meer durven verzetten, niet meer durven tegenspreken, zeer gedwee zijn; van ’t hondje beten wezen = verwaand zijn; de hond op buus hebben = op de duiten passen, zeer spaarzaam zijn, eigenlijk zooveel als: er eene wacht op nahouden ter bewaring van het geld; ik, zee de hond, voor: ik, als er eene vraag geantwoord wordt, bv.: wel is an beurt? wel het dat doan? enz.; joa hond? zegt men terechtwijzend tegen kinderen, wanneer zij alleen: joa antwoorden, in plaats van: joa moeke, enz. te zeggen. Hetzelfde geldt voor: nee hond? Vergelijking: vrundêlk as’n jonge hond. Spreekwoord: Doar de ijne hond tegenan pist, doun ze ’t altemoal, zooveel als: eene ongunstige stemming ten opzichte van een persoon breidt zich spoedig uit, wordt ras algemeen. – Men mout gijn sloapende honden wakker moaken = om zijn doel te bereiken doet men best er niet over te spreken, ten minste niet met menschen die ons zouden tegenwerken. Oostfriesch gin slapende hund wakker maken, Meiderich: genne schlopende hund wackrig make = het vergetene niet weder aanroeren. (v. Dale: men moet den slapenden hond niet wakker maken = een sluw of oneerlijk mensch moet men niet waarschuwen.) – Dei ’n hond gooien wil ken altied wel ’n stijn (of: bōngel, bungel) vinden (vinnen, vienen), bij v. Dale: Als men eenen hond wil slaan kan men licht een knuppel (een stok) vinden; Oostfriesch Wen man ’n hund smiten wil, kan man wal ’n büngel finnen. – Ook = hondeboas; zie aldaar, alsook rekel, en: komdijern; hōnje (Ommelanden) = hōntje (Oldampt, Westerwolde, Goorecht) = hōndien (Stad-Groningsch) = hondje.
hōnden - katten, in: men zōl d’r honden en katten mit vergeven, zegt men van iets dat in’t geheel niet of walgelijk smaakt, de sterkste afkeuring die men over spijzen en dranken kan uitspreken.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hond , hond , Kommedeer î de hond en blaf zelf! zegt men tot iemand, die ons iets bestelt, dat hij heel goed zelf kan doen, die ons voor knecht wil gebruiken. Zie: geiselen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
hond , hond , (hònt) , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zekere landmaat, ter grootte van 100 € roeden. Vgl. Mnl. Wdb. III, 55. || Vier hond is een mad, zes hond een (Rijnlandse) morgen. – Ook als naam van vele stukken land; zo genoemd naar hun grootte. || Dat hont in Arent Jan Cillen-weer, Polderl. Assend. I ƒ° 49 r° (a° 1600). Dat hont lants in Dirck Maerts-weer, ald., ƒ° 71 r° (a° 1600). De Tweehond (of de Tweehonderd roed; in het Westzijderveld). De Driehond (te Oostzaan). Dat drie hont lantsgen aenden dijck, Polderl. Assend. I ƒ° 41 r° (a° 1599). Maerten Huyghen, genaemt de drie honlants; Jan Claesen Ryael, genaemt de drie hontlants; Willem Gerrebranden drie hont lants, Maatb. Assend. (a° 1635). Claes Claesen Wijffes vijfhondt, ald. (a° 1635). Vijff hondt en een halff maetge (twee stukken land te O.-Zaandam), Koopbrief (a° 1617).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hond , hond , (hònt) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zegsw. Wat is mijnheers hond ’en groot beest, wat heb-je een verbeelding van je zelf. – ’t Is een rijk hondje, een rijkaard. || Nou hoor, ze is ’en rijk hondje. “Wel, wel, heb-je twee kwartjes gekregen voor de kerremis? Jij ben ok ’en rijk hondje.” – Er zit geen hond op zijn zak, maar een leeuw, hij is verbazend gierig. Vgl. de artikels over <i>heti> <i>haari> <i>vani> <i>deni> <i>hondi> in Tijdschr. 12, 140 vlgg. en 251 vlgg. – Vgl. de samenst. roodhond.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hond , hond* , zie ook komdijern *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
hond , hond , ond. wagen, V, 49.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hond , hond , Kommed(i)eer î de hond en blaf zellef! zegt men tot iemand, die ons iets bestelt, dat hij heel goed zelf kan doen, die ons voor knecht wil gebruiken. Zie: geiselen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
hond , hônd , hundje , hond, Et zuut oet of ennen hônd et in zien gaat gehad haet, het is geheel verkreukt.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hond , hoond , mannelijk , hoonde, höönde , hööndtien , hond. Op ’n hoond: aan lager wal.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hond , hoond , zelfstandig naamwoord, mannelijk , huene , huennken , hond. Wo slimr n hoond, wo mear vloon, hoe minderwaardiger iets is, des te meer wordt het bezocht door belagers; nen loopndn hoond, krig wat in n moond, wie overal komt, heeft kans op voordeeltjes
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hond , hônd , hond , m , heund, heûnd , hundje, heûndje , hond, honden, hondje; dojen hônd dode hònd. ook als scheldwoord gebruikt; huujt oe ége vör d’n hond! hoed je voor de hond!; hundje hondje. [Cui]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hond , hond , 1. hond. 2. reu
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hond , hond , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze hoe ruiger (grôter) de hond, hoe meer vlooie, 1. Hoe groter bedrijf, des te meer zorgen. 2. Hoe losbandiger men leeft, des te meer verkeerde dingen die daar het gevolg van zijn. – Op (an)’n hond, kapot, versleten, bedorven. | Z’n klere wazze op ’n hond. – Half hond, half rekel, vlees noch vis. – Erges as ’n hond voor de deur lègge, ergens voortdurend verblijven of op bezoek komen o.a. gezegd van een vasthoudende vrijer. – ’n Hond is ’t stou(t)st op z’n oigen dam, men heeft in zijn eigen, vertrouwde omgeving het meeste lef, de meeste praatjes. Meervoud honde, in de zegswijze de honde zelle teugen je op pisse, spottend gezegd tegen iemand die geen geld bij zich heeft. – Ouwe honde kè je gien blaffen meer lere. 1. Het karakter van oudere mensen verander je niet meer. 2. Oudere mensen zijn moeilijk om te scholen, om te schakelen. Verkleinvorm hondje, in de zegswijze kommendeer je hondje en blaf zelf, ik laat me niet commanderen, doe het zelf maar.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hond , hònd , zelfstandig naamwoord , hond. Verkleinwoord: hundje. Wordt ook voor kleine kinderen gebruikt. Kòm mar hier klèèn hundje van me. Als kinderen op een vraag niet “netjes” met twee woorden antwoorden krijgen ze verwijtend te horen: Ja hònd! Nèè hònd!
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
hond , hond , hundtie , hond; * een lopende hond krig altied wat in de mond: wie veel op pad is, scharrelt de kost wel op; de helligste hond grip meestal ’t bot, de zinnigste hond giet met niks vot: een brutaal mens heeft de halve wereld.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hond , hond , de , honden , 1. hond De hond leup veur de hondekar (Nor), Het is een mooi hondtie maar hij mus de starte een doem leger hebben zitten van een rothond (Hol); Daor hej niks an, een hondtien dat niet blaft van een zaak die niets oplevert (Hgv), Mit zuk weer zul je der gien hond oetjagen (Bov), Aj deur de hond betten wordt, moej der van ’t haor op leggen haar van de hond die gebeten heeft op de wond leggen (Pdh), Hij viendt de hond in de pot komt te laat (Dwi), Der is gien hond die het vreten wil niemand (Bro), Hij hef daor een hond zien gieseln hij komt daar niet graag (Hgv), Der kan gien hondtie giezeld worden of hij is der bai van nieuwsgierig persoon (Row), Zij leeft as kat en hond in onmin (Die), Der bint mèer hondties die Siep hiet (Sle), ...Fikkie hieten er is meer van hetzelfde (Mep), Hie hoelt met de honden in de bos (Zwe), Hie is zo benauwd as een honnie (And), ...zo meui as een hond (Eex), ...zo ziek as een hond (Emm), ...zo gierig as een hond (Dal), ...zo trouw as een hond (Die). ...zo speuls as een jonge hond (Ruw), As de kiender niet hen bedde wolden dan zeden ze: Aj nou niet hen bedde wilt, zet ik oe buten de dèure en daor loopt hondties met lochies an de staarte (Dwi), Hie maakt je oet net of e je veur de honden vunden hef (Sle), ’t Is net of ik jonge honden in de boek heb het rommelt in m’n buik (Sle), Ie kunt de hond haelen ik doe het niet (Dwi), Het Hondtien is hum doodgaon, want hij hef ’t hokkien op de kop van iemand met een hoge hoed op (Pdh), Het is net of ’n hond het in ’t gat had hef van verfomfaaide kleren (Sle), Hai was gien hond in ’t schenken hij was royaal met het schenken (Eev), Hie lop net een hond die niet schieten kan hij loopt doelloos rond (Sle), Wat een hond van ’n kerel een hondse vent (Zwa), Hie hef een leven as een hond een slecht leven (Odo), Dai is aaltied de gebeten hond (Eco), Hij jaankt as een hond (Dwi), Hij is zo bekend as de bonte hond algemeen bekend (Ruw), Hie löp as slim hondtien achter hum an gedwee (Sle), zo ook Hij löp oe as een hond achternao (Ruw), Hee stund der bie te hugen as ’n hond op ’n zeke kou (Ros), Dat gres zit zo dik, ’t zit der op as haor op ’n hond (Ndo) 2. onderstel met de vier wielen van een zandkar (smal spoor) (Klv) 3. verbindingsstuk tussen het voor- en achterstel van een boerenwagen (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) De hond is de koppeling van de bluktongbolt naor de aachterstelbolt (Eex), Het veurstel is mit het achterstel verbunden deur de hond en de bolte mit de aachterkeer (Dwi) 4. ijzeren voorwerp waartegen de turf in de haard werd gezet (Zuidoost-Drents zandgebied) of waartegen hout te drogen werd gezet (hy) Zet de hond maor achter ’t vuur (Pdh), De hond wuur bruukt um ’t vuur bij mekaar te holden (Scho) *Een strunende hond vindt altied wal wat (Bco); Aj een hond wilt slaon, keuj altied wel een stok vienden (Hol); As je over de hond kommen kom je ook over de steert als je het ergste hebt doorstaan, redt je de kleinigheden ook wel (Vtm); Blaffende honden biet niet (Die); As tweei honden um een bot vecht geeit ’n daarde der met vort (Eex); Aj ’n Griet of ’n Trien trouwd hebben gien hond anschaffen! (Nor); Een löslopende hond vangt altied wat (Bov); Dat schit oe ook gien hond op de veinsterbaank dat gaat niet vanzelf, daar moet je moeite voor doen (Die); Bestel oen hondtien en blaf zelf als iemand je commandeert (Mep); ’t Is gien goeie hond die in zien eigen nust schit het eigen nest bevuilen is een slechte zaak (Sle); As het een hondtien was zul hij oe bieten tegen iemand die iets zoekt, dat vlak in de buurt ligt (Mep); Ie laot toch gien hond op een worst passen je bezit toevertrouwen aan een onbetrouwbare (N:jo); Ie meut gien slaopende honden wakker maken (Bov); Mit onwillige honden is het slecht hazen vangen (Bro); Ik ken ein hondje / Met een kopern kontje / En een draaier in het gat / Rao rao wat is dat? koffiemolen (Erf); Wi’j die hond nog langer hebben? Dan mèuj hum een stok in de konte stikken (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hond , hónd , hond. m.v. heúnd. verkl. hùndje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
hond , ond , hond. ’t Liekt wel òf een ond ’t in de kont ad ef ‘dat ziet er onsmakelijk, onooglijk uit’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hond , hond , zelfstandig naamwoord , de; 1. hond 2. hondse kerel 3. bep. verbindingsstuk op de draaischammel tussen (en over) voor- en achterstel van een ouderwetse boerenwagen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hond , hond , uitdrukking , As haer opten hond Zeer dicht opeen (bijv. gewas, koren); De hand annen hond houwe Een hond steeds aandacht geven
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hond , hond , zelfstandig naamwoord , honde , [O, veroud] landmaat, 100 vierkante roe (deze vroegere aanduiding is bewaard gebleven in sommige benamingen van stukken land, zoals d’n elfhond, vermeld in een advertentie in het Nieuwsblad voor de Hoeksche Waard van 19 juni 1895)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hond , hônd , héúnd , hundje , hond
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hond , twieje héúnd , twee honden
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
hond , huundjes , hondjes
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
hond , ond , (zelfstandig naamwoord) , onnen , untien , hond. IJ ef ien ond en wi’j ebben twie onnen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hond , ondjes , hondjes , jong ondjes = jonge hondjes-
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
hond , hónd , heund , hundje , hond
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
hond , hoend , hond , hond; achtureshoend, negenureshoend, tienureshoend, schrikaanjagend beest uit het volksgeloof (W.-Veluwe); een brune hond verzupe, behoefte doen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
hond , hond , zelfstandig naamwoord , oppervlaktemaat, 14 are (Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
hond , hóndj , (mannelijk) , hunj , hundje , hond , Dao vritj geinen hóndj broead haer: dat is te erg. Det guns se nog geinen hóndj. Doe laegen hóndj! Kieke wie eine geslagen hóndj: moedeloos kijken. Oppen hóndj zeen: versleten zijn. Zoea krank wie einen hóndj.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hond , hond , zelfstandig naamwoord , hundje , "hond; Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: Hij is kèrks as nen hónd klippels. Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: Den ónzen is nèt zó kèrks as nen hónd klippels. Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: Hoe kòlder/ grótter hónd, hoe meer vlôoje. Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: En pèèrd èn enen hónd, die hinkt van ene strónt. Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: Wie bè den hónd slòpt, krèègt vlôoje. Miep Mandos-v.d.Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: As g'ene vrèmden hónd zene start licht, wòrdervan bescheete. Deze en de twee volgende tekeningen: Cees Robben - details uit Prent van de Week; En daansen as ze kan! Ze wit van gin uitschaaien en ze sjouwt oe aaf as 'nen hond in 'nen botermeulen. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 9; 22-02-30); Pierre van Beek – ""Wie bij den hond slaopt, krijgt vlooien"" is ons equivalent voor ""Wie met pek omgaat, wordt er door besmet."" (Tilburgse taalplastiek 11 Nieuwe Tilburgse Courant – maandag 17 april 1950); Pierre van Beek – De volkse wijsheid ""hoe kaolder hond hoe meer vlooien"" past gewoonlijk ook wel bij de branieschopper. Degene, die zelf het minst betekent of presteert, meent vaak de meeste eisen te mogen stellen. ; Pierre van Beek – gezegde: Hij zit eróp te wòchten as nen hónd óp en zieke koej. (Tilburgse Taalplastiek 136); Kernkamp, Dialectenquete 1879: de poote vaan 'nen hond; Brabantse spreekwoorden (Mandos): nèt enen hónd die van zenen halsbaand is lòsgebrooke ('71) - wild, luidruchtig, uitbundig; Brabantse spreekwoorden (Mandos): zó blij as enen hónd meej twee stèrte('82); Brabantse spreekwoorden (Mandos): zoo gelukkeg as nen hónd die óp zene verjaordag verzoope wòrdt (Handschrift Daamen 1916) - ironisch voor: ongelukkig; Variant: ge ziet erèùt as ene jóngen hónd die op zene verjaordag verzoope wòrdt ('69); Brabantse spreekwoorden (Mandos): den hónd moet öt de stoel (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1970) - als vader met het weekgeld thuiskomt, heeft hij recht op de beste plaats; Brabantse spreekwoorden (Mandos): in den hónd geraoke (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1973) - in moeilijkheden raken; Brabantse spreekwoorden (Mandos): hoe grótter hónd, hoe meer vlôoje ('7l) - hoe groter het bedrijf, hoe meer zorgen; wie zelf niets presteert, heeft vaak veel eisen; Brabantse spreekwoorden (Mandos): liever meej aander hónde jaoge (Kn'50) - iemand mijden omdat hij te veel weet. Henk van Rijen: wènne kaojen hond; hij bèt aachterbekaare; Frans Verbunt: laagen as enen hónd die mosterd heej gevreete; Frans Verbunt: meej den hónd int hòk, de vrouw in hèùs èn de meens int cafeej hèdde en gereegeld höshaawe; Boutkan: blz.59: menen ond ( Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
hond , hónd , hónk , hund, hung , hundje, hungske , hond; hónk (ald Veldes)
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal