elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hooistuk

hooistuk , heuistuk , stuk hooiland.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hooistuk , hooistuk , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een stuk land, dat gebruikt wordt als hooiland. || Noch dat ventje after Allert Tijsses, 574 (roeden), noch dat hoystuck daerby, 209 (roeden), Polderl. Westz. III ƒo 31 ro (a° 1644).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hooistuk , heujstuk , naam van stukken hooiland die dicht aan de weg liggen. (Rouveen).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hooistuk , hooistik , zelfstandig naamwoord ’t , Stuk land dat gehooid wordt of dat bestemd is voor de hooibouw, Vgl. Fries haeistik.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hooistuk , heuistuk , het , (Zuidoost-Drents zandgebied) = stuk land waar gehooid wordt Het weistuk lig naost het heuistuk (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal