elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hop

hop , [sprinkhaan] , hoppen , ... hoppen, sprinkhanen in de weiden, die zich roeren onder het hooijen. Kil. hobben, springen. freq. hobbelen. Huppen, huppelen.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
hop , hoppen , fluitjes van den bast van saprijk hout, vooral van den wilg gemaakt, door er met het hecht van een mes op te kloppen. Bij die gelegenheid zingen de knapen gewoonlijk dit liedje: Siep sap siepien, Wanneer worst dou riepe? Als de veugelties eier lekt; Wat lekt ze dan? Leege, leege doppen, Kale, kale koppen. Too ’t kattien op ’t diekien zat Zeuite melk mit tweeibak at, Kwam een beuze hekse, Dee wolt ’t kattien ’t oor ofbieten, Heel of, half of, Too het ’t kattien ’t oor of. Dr. Volksalm. 1842 p. 136. Neders. hup-hup, Osnabr. huppue, van: huppen, HD. hüpfen, Gron. hippen, huppen, en ziet op het losspringen, ’t loslaten van den bast. Dit kinderspel is door bijna geheel Duitschland bekend, ook in Groningen en Gelderland; ook daar maken de kinderen de fluitjes onder het zingen van een deun.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hop , hòppe , (vrouwelijk) , hop, humulus lupulus.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hop , hûp , (mannelijk) , hop; zie schîthûp.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hop , schîthûp , schîthûpe , hop (vogel).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hop , hop , in de kleinekinder – taal voor: paard; eveneens Noordfriesch, Deensch hoppe = merrie; Friesch hapkes = paardjes. Nedersaksisch huphup, Osnabrück huppue, Hoogduitsch hüpfen, Holsteinsch, Deensch hoppen, Zweedsch hoppa = springen. – hop dus zooveel als: springer. Vgl. huppen (zie: hippen), en ’t Nederlandsche huppelen, en: hopman (Zie ook: hus, kōs, tai, tu, en: piel.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hop , hop , het hoofd van eene ploeg raapzaaddorschers (Ommelanden), Oostfriesch sâdbâs. Zal zijn ’t oude: hopman = hoofdman, Hoogduitsch Hauptmann.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hop , hōp! , tusschenwerpsel, om eene koe of een paard te doen opstaan, op te joagen. Noordfriesch hòp, zegt men tegen een paard als het zijn kop of ook een poot opheffen zal. – Wel niets anders dan op, met voorgevoegde h.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hop , hop , (zelfstandig naamwoord) , In de zegsw. ’t is hop of drop, het is van het ene uiterste in het andere, ’t is hollen of stilstaan. || ’t Is altijd hop of drop. ’t Is bij haar ook hop of drop; eerst werkt ze der an as ’en razende. – Evenzo in de Beemster (BOUMAN 44). – De oorsprong der zegsw. is duister. Bij SPIEGHEL (ed. VLAMING), 297 vindt men het spreekwoord: somtyts sop, somtijts drop, waarin men sop wel zal moeten opvatten als plasregen en drop als drup. Vgl. de uitdrukkingen van de regen in de drop en hij zal een sopje halen, hij zal een nat pak oplopen. Bij HARREBOMEE 2, 157, wordt ook nog vermeld: is het geen sop, zo is het drop. – Is “’t is hop of drop” nu uit “’t is sop of drop” verbasterd? Vreemd is dan, dat die verbasterde vorm algemeen bekend is, terwijl de verstaanbare oorspronkelijke uitdrukking vergeten is. Wat de spraakmakende gemeente met hop heeft bedoeld blijkt niet; toch niet hop, de bittere plant der bierbrouwers, als tegenstelling van de zoete drop?
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hop , hop , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Een droge of bijna droge inham, een aanslibbing. Een hop is niet hetzelfde als een inham, maar wordt door aanslibbing steeds ondieper en kleiner. Hoppen vormen zich echter meestal in bochten van het water. Soms ontstaan er in het hop zelf wijkjes (inhammen). – Te Zaandam vindt men zulk een hop bewesten de Zuiddijk aan de ingang van het Ooster-Kattegat: het Vissershop. Het ontstond door aanslibbing, doch is bij de droogmaking van het IJ en het graven van het kanaal naar Amsterdam geheel drooggelegd en van een dijk omgeven. Later werd op het Vissershop haver verbouwd. – Het woord komt in dezelfde zin in geheel N.-Holl. voor. Het meest bekend is het Hoornse Hop bij Hoorn, waar eveneens slechts weinig water staat. Bij Oost-Graftdijk, vindt men het Kamerhop (ingepolderd) en het Vinkenhop; vgl. Kaart v. d. Uytw. Sl. 11. || Desgelijckx is ’t mede met ’t vuyle water ende slibber dat uyt de Haerlemmer-Meer komt van gelijcken, hetselve moet mede sijn plaets hebben hier of daer, achter in die inwijcken, ende in de hoppen, daer den stroom sijn loop ende gangh niet hebben en mach: maer daer den kil nau is, daer moet het nootwendigh sijn schuring ende diepe houwen, LEEGHWATER. Haerlb.7, 12. Of het ghebeurde dat de grondt ofte slibber voor Sparendam begon op te droogen ende te vervuylen, also Sparendam in een hop of indijckinge gelegen is, ald. 34. Dat hoylant ... gelegen an die oistzyde van dat hoppe, streckende by dat hoppe langes an ogendijck, Priv. v. Texel 68 (a° 1414). – Het woord komt in het Mnl. voor in de zin van haven; zie Mnl. Wdb. III, 583. Vgl. Ono. hôp, een kleine door land ingesloten baai of inham (CLEASBY 281a); Ags. hop in môrhop, fenhop Béowulf 450, 762) de moerassen, waarin het monster Grendel verblijf hield; Mnd. -hop in plaatsnamen (LÜBBEN 2, 297).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
hop , [fluitje] , hoppĕ , fluitje, 27.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hop , hoppe , [hopә] , vrouwelijk , fluitje van de steel van de paardebloem of van de bast van een sappige wilgentwijg of lijsterbes
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hop , hoppe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , hop, vogel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hop , hoppe , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , fluitje van roggehalm
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hop , hop , ploegbaas bij koolzaad dorsen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hop , hop , in de zegswijze ’t is hop ofd(e)rop, het is hollen of stilstaan. Mogelijk luidde de zegswijze oorspronkelijk ’t is sop. (= plasregen) of drop (= drup). Vgl. Boek. hop (II).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hop , hoepe , hoppe , groene korenhalm die als fluitje werd gebruikt.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hop , hop , de , hoppen , (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = hop, een vogel, Upupa epops
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hop , hop , hoppe , het, de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe). Ook hoppe (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) = 1. hop ’t Is zo licht as hoppe (Dwij), Hop wordt bruukt um smaok an ’t bier te brengen (Eex), Der zit ok hoppe in het kippevoer (Klv) 2. haagwinde, Convolvulus sepium (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord) Tegen dat rangelgoed daor in de steeg, daor zeden wij hop tegen (Sle), zie ook pispot
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hop , hop , höp, hup , tussenwerpsel , Ook höp (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe), hup (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) = 1. aansporing voor het paard om op te staan Hop hop, kom is omhoog (Bco), Hop ies, gao toch ies staon (Kop van Drenthe), Hop aol, kom is in ’t èende (Eex), Hop jong, wij moet an het wark (Bal) 2. lokroep voor paard (N) *Hop hoppeldepop zeg de vlegelkop (ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hop , uppe , de , fluitje van lijsterbes, zie hup (Eli)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hop , hoppe , hop, hoppie, hoppien , zelfstandig naamwoord , de; 1. paard 2. hagewinde 3. hop (bep. plant)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal