elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Horst

horst , horst , (mannelijk) , heuveltje. Spreekwijzen: Met Lichtmis springt de leeuwerik op den horst. Van den horst op den heuvel springen, dat is van den hak op den tak.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
horst , hòrst , (vrouwelijk) , bosch; in eigennamen: de Horst, énz., ook boschachtige hoogte.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
horst , horst , hors , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Naam van verschillende stukken land onder Assendelft. Thans onbekend. || Die horst van Jacob Havicx, Polderl. Assend. I ƒo 91 ro (a° 1600). Die horst van Jacob Havicx, ald. ƒo 109 ro. Dat horsgen in Cruyven-weer, ald. ƒo 134 ro. De hors in Jacob Havicx-weer, ald. II ƒo 34 ro (a° 1600). De hors van Jacob Havicx, ald., ƒo 90 ro. De horst van Jacob Havicx, ald., ƒo 112 ro (a° 1600). De hors op de Wolffesloot, Engel Barens mede genaemdt de hors, Jan Engelen Scheepmaecker de hors, das horsgen (alles in Alkes- en Cruyven-weer), Maatb. Assend. (a° 1635). – Ook in de Middeleeuwen komt de naam in N.-Holl. voor. || Een vierendeel van drien roeden after die horst (te Velzen, 13de eeuw), Hs. v. Egmond, ƒo 15 vo en 16 ro. – De betekenis van het woord is niet met zekerheid te bepalen. In andere streken van ons land verstaat men onder horst struikgewas, kreupelhout. Wellicht waren dus ook de Assendelver horsten wilde, met struikgewas begroeide, stukken land, iets dergelijks als de wildernissen; zie Willis. Blijkens de verschillende vormen, waarin het woord werd neergeschreven, was het in het begin der 17de e. reeds niet meer in gewoon gebruik. Vgl. verder over dit in bijna alle Germ. talen voorkomende woord Mnl. Wdb. III, 605; GRIMM, D. Wdb. IV2, 1833; KOOLMAN 2, 107.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
Horst , Horst , Hoogĕ Horst, naam van een stuk land; Berghorst, familienaam; Lankhorst, naam van een erf; Staphorst.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
horst , hiöst , [ĭœst] , begroeide hoogte. Lemåns hiöst: stuk land, hoogte (rug) door het land
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
Horst , Hôrs , ós dörp, wárschienluk zoë genumd as “hoëger gelaege stuk groond”. Huurt pas suns 1814 beej Nederland, doaveur beej Opper Gelder. Hedde dórs, / godde nár Hôrs, / doa hebbe z’en hundje / dát pist oow int mundje.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
horst , hoorst , hoger gelegen, droge plekken in een moerasgebied.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
Horst , hoorst , Horst.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
horst , horst , 1) hoogte in het land, d’n bèrrenboer wònt op d’n Heihorst. vgl. ook Maashorst, Venhorst; 2) schoorsteen, in het vastenavondliedje: In diy hoog horsten, Daor hangen diy laang wóórsten.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
horst , horst , schoorsteen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
horst , hòrst , zelfstandig naamwoord , WBD hoogte in het (akker- of wei-)land (Hasseltse term); ook 'bult'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal