elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: houtstek

houtstek , holtstek , (houtstek) = schuur, houtschuur van een houthandelaar, ook = houthandel; ’n holtstek hebben = houtkooper zijn; noa ’t holtstek goan, zooveel als: hout, steen, enz. van den houtkooper halen. Oostfriesch holtstek = bewaarplaats van hout, en = houthandel. (v. Dale: stek = bergplaats.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
houtstek , houtstek , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Houttuin, werf waar hout opgestapeld is. || Het (is) niet geheel vreemd, onmiddellijk naast de woning van een gegoede, een schuur, pakhuis, houtstek of molen te aanschouwen, VAN GEUNS, Zaandam 38. – Door VAN DALE worden stek en lattenstek opgegeven in dezelfde betekenis. Houtstek is ook in het Stad-Fri. bekend. In Oost-Friesl. beduidt holtstek houthandel (KOOLMAN 2, 101).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
houtstek , holtstekkĕ , schuur van een houthandelaar.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
houtstek , holtstek , het, de , (Midden-Drenthe, Zuid-Drenthe) = bergplaats voor hout Aj planken of balken mut hebben, kuj bij de holstek terechte (Koe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
houtstek , hooltstek , zelfstandig naamwoord , et 1. houten hek 2. houttuin, opslagplaats voor hout
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal