elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: houw

houw , houw , oogziekte van het vee; ook Geld. (v. Dale: houw, een gebrek aan de oogen van paarden en rundvee, waarbij een hard vliesje uit den binnensten ooghoek over den oogappel heentrekt, oogeelt.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
houw , hou , hau , (houw); in de volle hou zitten = alles in overvloed hebben van eigen producten, alles in ruimte van tuin en akker en van de slacht, zooveel als: alles maar voor ’t grijpen hebben. – v.Dale: fig. ergens den vollen houw vinden = den ruimen overvloed rijkelijk aantasten. – A. C. Oudemans zegt dat dit woord (houw) zeer oud is, en het werkwoord houden = verzorgen, alles geven wat noodig is, voeden, opkweeken, niet zelden bij de oude dichters voorkomt. – (Vgl.: bijenhouder, enz.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
houw , hou , houg, houw , (houw), hak, land – en tuinbouwwerktuig (Niezijl); houg, zie: duch; houw, zie: veenker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
houw , houw , zie hou * 2.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
houw , houwĕ , soort schop, V, 53.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
houw , haue , vrouwelijk , schop, waarvan het vlakke blad naar de steel is gebogen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
houw , hùw , zelfstandig naamwoord, mannelijk , hùwwe , hùwken , vlies over ’t oog
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
houw , hieuw , zelfstandig naamwoord de , Ruwe houw, hak of snee (verouderd).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
houw , houw , houwe , de , houwen , Ook houwe (Veenkoloniën, bet. 3.): = 1. stuk dat ergens uit mist De moezen harren een houw oet de keze vreten (Bei), Meuj nou ies kieken, der is een hele houw uut (Hol), Der was ’n beste houw oet ’t taovelblad (Eex) 2. klap (Zuidwest-Drenthe, noord) Ik heb hum een flinke houw egeven (Die) 3. werktuig, hak, houw (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Noord-Drenthe) Hij meuk de toene mit ’n houwe um (Ros), Ik wul even ’t houwgie pakken om eerappels te poten (Eco), ‘Een houw is een werktuig met een lange stok om een boswal op te snoeien’ (Row), Een houw was um eerpels der in te poten, maor wur ook wel broekt um opgescheurd gruin zodden fien te maoken (Eev)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
houw , houw , de, het , houw, oogziekte bij vee As schaopen vrouger de houw op de ogen haren kregen ze een woldraod in ’t oor (Bov), Die koe hef ’t houw op ’t oog (Pdh), ...an de ogen (Uff), Bij houw op de ogen: Witte kristalsukker op het oog leggen zolang tot het vlei van het oog ofgung (Eex), ...witte suker in het oog blaozen (Row), zie ook bij broodsuker
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
houw , houwgien , zelfstandig naamwoord , et; kleine schoffel aan een gebogen en teruglopend deel (dat aan de steel zit), zodat het scherpe deel in de richting wijst van degene die schoffelt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
houw , houwe , zelfstandig naamwoord , de; hetzelfde als houwgien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
houw , houw , zelfstandig naamwoord , de; 1. een stuk dat ergens uit mist, met name: door een slag met een (scherp) voorwerp 2. klap 3. bep. oogziekte bij vee, houw, vooral bekend van koeien 4. hetzelfde als houwgien
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
houw , houw , zelfstandig naamwoord , houwe , houwchie , hak met lange steel en breed blad De pee wier schôôn gehouwe meddun houw die deur de rije gehaold wier De bieten werden gewied met een hak die tussen de rijen door getrokken werd
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
houw , ouw , zelfstandig naamwoord , windhoos (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
houw , houw , (mannelijk) , houwe , snel gegeven slag
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal