elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hui

hui , hui , (= wei), in het Sprw.: Hui is karnemelks borge = de eene is nog minder dan de andere. In Gron. zegt men dit ook, als nl. bij eene verhuring (of aanbesteding) een arme huurder tot borg opgeeft iemand die ook niets of heel weinig bezit.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
hui , hui! , tusschenwerpsel om iemand in de verte toe te roepen dat men hem spreken wil, waarvoor ook: huilà. (v. Dale: hui = kom aan! voort!) Ook voor: opgewonden. Zie ook: höftîg, heu, en: haibai.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hui , hui , de waterige zelfstandigheid die zich vormt als men karnemelk kookt; hui is karnĕmelk borgĕ, ’t eene is ook al even slecht als ’t andere.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
hui , häie , wei van gekarnde melk
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hui , hùj , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , wei van de melk
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hui , hui , ui , vrolijk, licht aangeschoten
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
hui , hui , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) = 1. niet veel soeps ’t Is weer hui vandaege niet veel soeps, gezegd van het eten (Dwi), ’t Was er niet hui, ze hadden het aordig in ’t wiere niet pluis (Ruw), Hij was der wat hui veur bang voor (Row), Het is hui weer wild, onbestendig (Bal), Hui en fui lui en akelig (sl:Hgv) 2. wild, overdreven (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe) Wat was die ok weer hui (Gie), Doe niet zo hui (Bal), Nou, het e nog mor ain borrel had en is e al huilmaol hui los, uit de band, vrolijk (Eev), ’t Waark geet bij heur altied te hui of te fui nooit gelijkmatig (Die), Het is bij hum altied te hui of te fui hollen of stilstaan (Eli), ’t Is te hui of te fui alles of niks (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hui , hui , de , (Zuid-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. hui, wei De hui drif baoven op de karremelk (Rui), Van hui meuken ze keze ’n mindere soort (Klv) 2. in Van een hui op een sjok van het een op het ander (Die) *Hui is karnemelksborge de een is nog minder dan de andere (wm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hui , ui , (Gunninks woordenlijst van 1908) zie Gunninks woordenlijst van 1908: wei
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hui , hui , water op karnemelk.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
hui , hui , wei, vocht dat overblijft bij het maken van kaas; hui is karnemelks borg, (uitdrukking) de borg stelt weinig voor.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal