elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: huid

huid , huid , Op de huid geven voor slagen geven. Iemand de huid vol schelden voor met scheldwoorden overladen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
huid , hoed , ligchaam (pars pro toto).
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
huid , hoed , 1. huid; ook voor rug, en het geheele lijf of lichaam; ’n good buis op de hoed = een goed kleed aan; pijn in de hoed = pijn in de leden; met heur beste pak kleer um de hoed; ’t in de hoed hebben = ’t onder de leden hebben; ’t kelde mie deur de hoed = ’t ging mij door merg en been; ’t an de hoed hebben = ’t op ’t lijf hebben, ’t in den zin hebben; ’t finnig anne hoed hebben = met kracht en klem spreken; iemand oppe, of: anne hoed komen = aanvallen, te lijve gaan, een pak slaag geven; ook = met dreigementen of met een verzoek aankomen; ook = roeren, treffen, ’t gemoed in beweging brengen, het medelijden opwekken; en = met krachtige woorden aanspreken; oarig oppe hoed anholden = er sterk op aandringen; in de hoed = inwendig, wat verkropt wordt: ze meugden ’n kaander in d’hoed niet liën = in hun hart niet lijden. Gron. hoed = huid, en = lichaam; iemand wat op hoed geven = slaag geven: zierte in hoed hebben = pijn gevoelen; mal ien hoed wezen = boos, ongemakkelijk, knorrig zijn. Friesch. NBrab. Neders: wat op de hoed geven, en dan zooveel als: rug. 2. de bovenkorst van een veld. Het Gron. hoedjen = zaaien zonder of slechts één keer dunnetjes ploegen, zoo veel als: op de huid zaaien, Oostfr. hundjen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
huid , hûd , (vrouwelijk) , huid, lichaam; ût de hûd vallen, sterven.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
huid , hoed , huid, en = lijf, lichaam; maag; rug; de hoed dut mie zeer = ik heb pijn in de leden, het lichaam doet mij pijn; iemand dicht op de hoed zitten = zóó zitten dat men hem aanraakt, te dicht bij hem zitten; in ’n slechte hoed zitten = ziekelijk, sukkelend zijn; niks in de hoed kriegen = nets eten; nijt goud ien houd wezen (Ommelanden) = zich onwel, niet gezond gevoelen; iemand op de hoed loopen = tegen ’t lijf loopen; iemand wat op hoed geven (= wat op pōkkel (= rug) geven) = een pak slaag geven, (het Friesch: op de huud komen); om de hoed meten = de maat nemen van het lichaam zonder de kleeren uit te trekken; slap ien hoed, tegengestelde van: stijf, stevig, ook van levenlooze voorwerpen en van kleedingstoffen gezegd; mooi (of: roem) ien hoed, of: ien ’t hoedje wezen = vroolijk, opgeruimd zijn, wanneer dit een gevolg is van het gebruik van sterken drank (Ommelanden); ’k heb kolle ien hoed = ik heb koude gevat en gevoel mij daarom niet wel; hij wōl nijt oet hoed = hij wilde geen flink bod doen, hij bood geen geld genoeg; “woar elk den ook ien hoed nao verlangt” = wat elks oprecht verlangen is, bv. om te trouwen; mal ien hoed (= mal) wezen = knorrig, ongemakkelijk, boos zijn; ik bin de hijle doagen mit de hellege hoed = ik ben steeds uit mijn humeur, ik heb reden om mij elken dag boos te maken; hij het’r ’n hoed op moaken loaten = ’t is hem om ’t even wat men hem verwijt, hij heeft geen eergevoel; ’t is niks as hoed en bōnk, wordt van bijzonder magere menschen en dieren gezegd; hij deugt van gijn hoed of hoar (= is gijn goud hoar an hōm) = hij heeft een gemeen karakter, is door en door slecht; hij ken gijn eten ien hoed hollen = de maag wil geen voedsel opnemen; d’r mit de gladde hoed afkomen = fig. er heelhuids afkomen; ’n hoed op de (of: oppe) tōng = eene beslagen tong; ’k wōl mie wel ’n gat ien hoed bieten (= ’k wōl mie wel ’n slag veur de kop geven) = ik heb er grooten spijt van, inzonderheid van eenig verzuim. (Vgl. ook: schurftîg.) Drentsch hoed = rug, lichaam; Noord-Brabantsch, Nedersaksisch huud = lijf, lichaam. (Het Oostfriesch heeft: hê is d’r mit behüd ’d nog behârd = hij is daarmede in ’t geheel niet vermaagschapt, ’t welk bij de oude Germanen beteekende: de kleur zijner huid en van zijn haar wijzen uit dat hij tot een vreemden stam behoort. De Friezen toch, zoowel als alle blonde Germanen, stelden er hoogen prijs op, hun’ stam zuiver te bewaren; afwijking ten opzichte der kleur van het haar en de huid deed aan echtbreuk denken. Zie ten Doornk. art. behüden.); hoedje huidje, dunne huid.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
huid , hoed* , ook in: ʼn hoed oppe tong = een beslagen tong. Zie ook schurftig *. Ook = schors, schil.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
huid , hoed , lichaam, romp; zeertĕ in dĕ hoed, pijnlijk gevoel door de leden. Ook: ik wil ’t in dĕ hoed graag, heel graag.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
huid  , hoed , huid. Mit hoed en haor, met huid en haar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
huid , hůd , lichaam. Zeerte in de hůd. Hei is neit goud in de hůd. In de hůd was et nen gouden keerl.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
huid , hoed , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , menselijk lichaam. Zearte in de hoed, pijn in ’t lichaam; de hoed an hebm, uitgeput zijn; eenn teeng ne hoed loopm, 1 tegen iem. aan lopen, 2 toevallige ontmoeting; t in de hoed hebm, niet goed in orde zijn; t wal an de hoed
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
huid , huid , zelfstandig naamwoord de , in de zegswijze niet in ’n goeie huid steke, zwak of ziekelijk zijn.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
huid , hoed , lichaam (b.v.: krange in de hoed = zich ziek voelen).
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
huid , hoed , hutie , lichaam.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
huid , hoed , huud , de , hoeden , Ook huud (Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied) = 1. huid De zunne braandde hum op de hoed (Bov), Hij kun de lappen vel zo van de hoed oftrekken (Row), Dat varken krig plekken op de hoed (Koe), Hij hef die oetslag over de hiele hoed (Pdh), Dat is een beste melkkoe want hij hef een dunne huud (Klv), De kat vrat dat vogelie met hoed en haor op (Gas), Hij hef zien hoed duur verkof (Bco), Een slang verandert van hoed (Bui), Met de hoed wordt de klop an de stok van de vlegel vaastmaokt vel van een aal (Eex), Hij haar ain hoed as ain olifant van een dikhuid (Git), Hie hef de hoed niet schoon heeft iets op z’n geweten (Sti), Ik zul niet graog in zien hoed zitten in zijn schoenen staan (Eev), Piet zat in ’n slechte hoed had een slechte constitutie (Ros), Oet je hoed springen van boosheid (Hijk), De huud verkopen eer de beer escheuten is (Wsv), Hij hef een huud veur de kop as een bolle veur de kneinen een bord voor het hoofd (Klv), 2. grasmat (Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe, Zuidwest-Drenthe) Dat grasland hew scheurd de hoed was niet goed meer (Bor), Der zit een goeie hoed in het gras staat er dicht (Gro), De zwienen hadden de hoed van ’t kaampie heilemaol kaol (Nor) 3. lichaam Je moet wat zunig op je huud wezen (Klv), Hij hef te weinig um de hoed te weinig kleding aan (Dwi), Ik heb ’t aordig in de hoed heb lichamelijke pijn (Dwi), Ik geleuf da’k ziek wor, het rilt mij over de hoed (Zwig), ...de hiele hoed dut mij zeer (Wijs), Waog ’t is aj ’t hart in de hoed hebt (Sle), Iene op de hoed zitten opjagen (Odo), Ik zal hum de hoed vol schelden (Hol), In de huud van een ander kroepen zich in een ander verplaatsen (Klv), Zien praoties hadden niks um de hoed stelden niks voor (Hgv), Die meuj je van de hoed holden bij je vandaan (Bov), Die mos flink wat op de hoed hebben een flink pak slaag (Pes), Die vrouw slat alles um de hoed geeft wel erg veel geld aan kleding uit (Pdh), Hie stiet mij boven op de hoed vlak bij mij (Sle), Ein een waanie op de hoed geven slaag (Row), Hij wil mie aan de hoed een pak slaag geven (Vtm), Aj mij an de hoed duurt te kommen kriej een waai an de oren (Eex), Hie wör wat aans in de hoed werd ontroerd (Sle), Hie hef ’t goed an de hoed is goed op dreef (Sle), Hij krig ’t wel an de hoed moet zwaar werk doen (Hgv), Iene het wark an de hoed stikken dat is: aandern het zwaore werk laoten doen (Zdw), Het wark komp hum niet an de hoed hij wordt er niet moe van (Zwe), Ik heb al genog in de hoed ik heb al genoeg gehad, (Sle), Ik geleuve da’k de roze ien de hoed hebbe koorts (Ruw), Dei was neit mak an de hoed geen gemakkelijk persoon of dier (Vrie), Ze meugt mekaar in de hoed niet ze mogen elkaar eigenlijk niet (Sle), In de hoed dèenkt ze aans inwendig (Dwi), 4. laag niet te verwijderen vuil (Zuidwest-Drenthe, noord) De hoed zaat der in (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
huid , oed , Gunninks woordenlijst van 1908: huid, lichaam. Gunninks woordenlijst van 1908: Et in d’oed ebben ‘ziek zijn’, Gunninks woordenlijst van 1908: et op d’oed ebben ‘van plan zijn’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
huid , hoed , huid, lichaam. Ik bin al ’n paer daegn slech in de hoed.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
huid , hûid , huid , Ge kunt ginne kaoj de hûid afdoen. Je kunt een kei de huid niet afdoen. Er is niets meer te halen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
huid , hûid of start , huid noch staart , Iemes van hûid of start kènne. Iemand van huid noch staart kennen. Iemand helemaal niet kennen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
huid , huud , zelfstandig naamwoord , de; 1. iemands huid, vel, ook van een dier 2. lichaam 3. laag vastzittende smerigheid
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
huid , huie , zelfstandig naamwoord , huiden Izak Fontijn was een huiekôôper Izak Fontijn was een huidenkoopman
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
huid , [lichaam] , huud , lichaam; niet klaor op z’n huud wezen, onbetrouwbaar zijn; in z’n huud, in de grond, in de kern (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
huid , hoed , (vrouwelijk) , huid , Ein hoed wie einen oealifantj höbbe. Zie zaat ’m dón oppe hoed.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
huid , huije , zelfstandig naamwoord, meervoud , van hèùd; huiden; Audio-opname 1978 – Dhr. Bertens – “…dan hadde nòg teegenoover de pròttestante kèrk in de Zoomerstraot….. daor wonde zogezeej ok en stèl Jodjes èn die stèl Jodjes dinne niks as in huije èn in bêene èn ze kòchte zak zègge de gèète die verkòchte ze wir èn zôo….” (Collectie Heemkundekring Tilborch; transcriptie: Hans Hessels
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
huid , hödje , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , huidje; hoed, meervoud hoej/huuj
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
huid , hèùd , zelfstandig naamwoord , huid; - meervoud hèuj of zie huije; - van een vrucht ook- vèl, vèlleke, schèl, schil; Kees & Bart (krantenrubriek ca. 1930): 'Dè schènd mekare de huid vol'; Gezegde - òn zen hèùd zitte: te pakken nemen. Audioregistratie 1978 - Mar ge had hier vruuger ok nèt as op de Vèfhèùze, as daor zo iemand was zak zègge die bevobbeld die boere zon bietje zaat te koejeneere… dan waarde nòg nie gelukkeg, hòr! Want pòtverdoorie ir dè dè spulleke afgewèrkt was han ze dieje knaap òn zen hèùd gezeete tòt èn mèt, hòr! Meej allemòlle! (Interview met Heikanters - Transcriptie door Hans Hessels); WBD schaopehèùd - schapehuid; WBD vèl - huid; schaopevèl - schapevel; WBD III.1.1:31 'huid' = huid, opperhuid: vkw. hödje; WBD III.2.3:152 'huid' = schil, ook 'vel(letje)'; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - HUID. Iemand op de huid geven, voor: slagen geven. Iemand de huid vol schelden, voor: met scheldwoorden overladen. In Neder-Saks. algemeen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
huid , hoe~d , huid
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal