elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heimpje

heimpje , hemeltje , (onzijdig) , ruischend sprinkhaantje in de muren, onder bakkers ovens, enz. Kil . heymken, heymelken, heemken. Eig. huisdiertje, van Isl. heimill, huisselijk.
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
heimpje , [krekel] , hemertje , krekel, eigenlijk = huiskrekel ter onderscheiding van veldkrekel. Gron. ijmertje, ijmerke, hijmerke; Oostfr. heemke, Mecklenb. ehmken, HD. Heimchen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
heimpje , [krekel] , heemken , (onzijdig) , krekel.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
heimpje , hîmpjen , hîmeltjen, îmken , (onzijdig) , krekel.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
heimpje , hijmerke , ijmerke, ijmertje, ijmer, aimer , bij Swaagman eimertje, Stad-Groningsch ijmpien, Niezijl, enz. heerdiemer = huiskreekel, ook: heimpje; Nedersaksisch heemken, Oostfriesch hêmke, Hoogduitsch Heimchen, Middel-Nederlandsch eemke (krekel), Kil. heymken, heymelken, heemken, Middel-Nederduitsch heimeke, met het Nederduitsch hiemk, Opperduitsch heymch eene omzetting van het Oud-Hoogduitsche mûhheime, mûchheime (Heimchen), Middel-Hoogduitsch heime, Kil. heymel, heymelmugghe, Germ. Sax. Sicambr. = gryllus. Het Oud-Hoogduitsche heims zou oorspronkelijk beteekend hebben: huiskrekel, van: heim (= huis, enz.), en O, en zoo verder: heimuch, heimamuch, zooveel als: schepsel, wezen dat zich in huis ophoudt, dus letterlijk = huisdiertje.
Vergelijking: zoo loos, of: wies as ’n ijmerke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
heimpje , hémeltjen , hîmeltjen, îmeltjen , Huiskrekel, ’n kriekend krieksken.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
heimpje , iēmĕrtien , krekel.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
heimpje , [krekel] , hémeltjen , hîmeltjen, îmeltjen , Huiskrekel, een kriekend krieksken.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
heimpje , häimeltien , onzijdig , huiskrekel
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
heimpje , hemeltjen , Kreekel, cicada. [Die krekels welke zich in de huizen bij de schoorsteenen of in dezelve ophouden, een heemken, mogelik van heem, haam, heim ook huis, of van hemen, bedekken, verbergen: geheim, hemel.]
Bron: Dumbar, G., H. Scholten en J.A. de Vos van Steenwijk Vollenhove (1952), Het Dumbar Handschrift – Idioticon van het Overijsels in het einde der achttiende eeuw, uitgegeven door H.L. Bezoen, Deventer
heimpje , heemltjen , zelfstandig naamwoord , krekel
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
heimpje , hiemertien , hemer, emer, heeimer, hemel, heimer, huimer, hiemp , het , hiemerties , (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, zuid). Ook emer, hemer (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Kop van Drenthe), heeimer (Midden-Drenthe), hemel (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid), heimer (Kop van Drenthe), huimer (wb), hiempien (Zuidoost-Drents zandgebied), aimer, haimer (Kop van Drenthe), haimel (Veenkoloniën), heimke (Zuidoost-Drents veengebied), hemmel (Veenkoloniën), hemel (Zuidoost-Drents veengebied), hiemeltien (Zuidoost-Drents zandgebied), ook de overigen meestal verkl. = 1. huiskrekel, Gryllus Eerder haj van die hiemerties achter ’t vuur (Sle), ...heimkes ... (Bco), Hemerties koomt miestal veur in een broodbakkerije (Ruw), Emerties die kunt zo akelig sjilpen (Geb), Heur die heimers is sjaantern (Row) 2. mierenleeuw, Myrmeleon formicarius (Zuidwest-Drenthe, zuid) 3. (verkl.) klein, tenger persoon of dier (Kop van Drenthe) Een heimerie is bai ons een klain mietig kindie of deier of zo (Pei), Het is nog flink oet de kloeten gruid het was maor zo’n heimerie (Vri), ...een haimer (Zui), zie ook muurpieper, hèerdhiemertien
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heimpje , iempien , (Kampen, Kampereiland) 1. klein persoon; 2. schoorsteenkrekel (gryllus domesticus)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heimpje , iempien , krekel, vaak bij bakkersovens.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
heimpje , hemel , zelfstandig naamwoord , de; huiskrekel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heimpje , iemertien , hiemertien, hemeltien, hemertien, imkertien , zelfstandig naamwoord , et; huiskrekel, bakkersbeest
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
heimpje , iempe , (zelfstandig naamwoord) , huiskrekel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
heimpje , hiempien , krekel.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal