elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ijlgat

ijlgat , tiilgat , het gat in den korf waar de bijen uit en invliegen. Hd. zeidel. [pl. d. tidel] zeideln, uit den korf de gepaste hoeveelheid honig snijden. Contr. tiil, honig. Pl. d. tiel-baar. Hd. zeidelbär, [honigbär.]
Bron: Halbertsma, J.H. (1835), ‘Woordenboekje van het Overijselsch’, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren 1836, Deventer: J. de Lange.
ijlgat , [vlieggat in een bijenkorf] , ielgat , ielegat, ijlegat , opening in de bijenkorven, waardoor de bijen uit en in vliegen, vlieggat van een bijenkorf. Gron. ielgat, Oostfr. ihlgat, Overijs. tiëlgat. Volgens Dr. Halbertsma van: tiël, dat in ’t Neders. honig betekent.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ijlgat , ielgat , opening boven in den gevel of het dak eener schuur, soms voorzien van een plankje, ielebret geheeten; Gron. oelgevel, en: oelbret, oel = uil.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
ijlgat , ielgat , opening in de bijenkorven waardoor de bijen in- en uitvliegen, vlieggat van een bijenkorf. Drentsch ielgat, ielegat, ijlegat, Oostfriesch îlgat. (Het Overijselsch tiëlgat zou volgens Dr. Halbertsma van het Nedersakasiche tiël = honig, komen; ons ielgat zal o.i. tot ielen (ijlen) moeten gebracht worden.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ijlgat , ielgat , opening in de bijenkorf, waardoor de bijen in- en uitgaan.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ijlgat , iilgat , opening in een bijenkorf. Zie ook: tiilgat
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ijlgat , tiilgat , onzijdig , opening in een bijenkorf
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ijlgat , ielgat , ielegat , het , Ook ielegat (Zuidwest-Drenthe) = 1. vlieggat in een bijenkorf, of bijenkast Ien een kleine korf dou je ein ien een grote korf twei ielgaten (Bov), Wie hebt bieters [koolmezen] op de iemen ze biet zuk veur het ielgat zijn aan het vechten voor het vlieggat (Bco), As de iemen hen de heide bracht weurden, dan mus het ielgat dicht (Oos), Wat een drokte veur het ielgat, ze bint drok an het halen (Hijk), ...ze wilt gauw zwarmen (Noo), As een vrouwe wat veule bij huus en in huus is, dan zekt ze wel ies: hij of zij zit altied veur het ielegat (Hav) 2. opening boven in de gevel of het dak van een schuur, soms voorzien van een plankje (wp), zie ook oelengat
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ijlgat , tielgat , gat in de bijenkorf waardoor de bijen uit- en invliegen.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ijlgat , ielgat , ielegat , zelfstandig naamwoord , et; ijlgat, vlieggat in bijenkorf of bijenkast
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ijlgat , tielgat , ielgat , vlieggat in een bijenkorf (O.-Veluwe); ielgat (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal