elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ingaan

ingaan , ingoan , de school gait in = de school begint, de les vangt aan. Vgl. angoan 2, alsook: in 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ingaan , ingoan , zie angoan *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
ingaan , ingaon , beginnen; de schoolĕ geet in.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
ingaan , ingaan , werkwoord , in de zegswijze ’t gaat erin as Gods woord in ’n ouderling, het gaat erin als koek, het wordt gretig geaccepteerd.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
ingaan , ingaon , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. tegen iets of iemand ingaan Do mags niet ingaon tegen dien vaoder (fa), Hij is stail tegen de anderen ingaon dwars tegen de anderen in (Bco), Jij moet aaltied tegen de keer ingaon tegenspreken (Wee) 2. een richting gaan Tegen de wind ingaon geeit niet zo makkelijk as van de wind ofgaon (Eex), De goeie kaant ingaon opgaan (md) 3. binnengaan Woj der niet even met ingaon mee naar binnen gaan (Sti), Hie ’s schuur ingaon (Gas) 4. op iets ingaan (Midden-Drenthe) Die praoties van hum moej niet op ingaon moet je negeren (Bal), Op dat veurstel kun wij niet ingaon (Bor) 5. een aanvang nemen De huur giet op 1 mei in (Pdh), De schoul gaait in (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ingaan , ingaon , werkwoord , 1. binnengaan, ergens ingaan 2. de desbetreffende richting nemen, komen in 3. het beginnen van een school 4. van kracht worden 5. erop ingaan, positief benaderen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ingaan , [binnengaan] , ingaon , (werkwoord) , ingaan, binnengaan.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal