elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jenever

jenever , jannever , Genever.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
jenever , jannever , jenever; ook Oostfriesch. Schimpend hoort men: blaue jannever; uit den mond van verontwaardigde vrouwen hoort men niet zelden: dei bliksemse blaue jannever!
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
jenever , janneevĕr , jenever.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
jenever , janeawr , zelfstandig naamwoord, mannelijk , jenever
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
jenever , jannever , zelfstandig naamwoord de , Variant van jenever.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
jenever , sneejvel , zelfstandig naamwoord , jenever. ’n Sneejvelneus is een neus die door het vele jeneverdrinken paars-rood geworden is. Komt tegenwoordig minder voor dan vroeger. Een wetenschappelijk onderzoek naar dit verschijnsel is gewenst.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
jenever , janever , jenever.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
jenever , janever , jenever , de, het , Ook jenever = jenever Haal mij even een kan janever op (Sle), Berend was zo dronken, ’t jenever luip hom tot de ogen oet (Eev), Hij drinkt klaore jenever zonder suiker (Row) *As de jenever is in de man, is de wijsheid in de kan (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
jenever , snevel , jenever.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
jenever , jannever , (Kampen, Kamperveen) jenever. Ook: jajum, jandoedel (Kampen), klöre (Kampen), klaore (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
jenever , sneevel , jenever , Sneevel, dôr lus'tie wél pap van, dé's 'n zûipschûit, t’is zund van de mèns. Jenever, daar lust hij wel pap van, dat is een zuipschuit, het is jammer van die man.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
jenever , jenever , jannever , zelfstandig naamwoord , de; jenever, glaasje jenever
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
jenever , jannever , zelfstandig naamwoord , jannevers , jannevertie , jenever D’n ouwen Haain had een janneverneus, azzie d’r in kneep kwam d’r ‘VOLLEDIGE VERGUNNING’ op z’n veurhôôd te staon Oude Hendrik had een jeneverneus; als je er in kneep kwam er ‘VOLLEDIGE VERGUNNING’ op zijn voorhoofd te staan (vroeger betekende dit bord aan de gevel van een café dat daar alle alcoholische dranken geschonken mochten worden)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
jenever , sneevel , jenever
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
jenever , snèèvel , jenever
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
jenever , jenèver , (zelfstandig naamwoord) , 1. jenever; 2. glaasje jenever, borrel. Zie ook: börrel.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
jenever , sneevel , jenever
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
jenever , snééver , zelfstandig naamwoord , jenever (Eindhoven en Kempenland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
jenever , sneevel, snéével , zelfstandig naamwoord , jenever (Den Bosch en Meierij; Helmond en Peelland; Land van Cuijk; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
jenever , sneevel , zelfstandig naamwoord , "jenever; Toen waar de sneevel nog goejekôoper as de limmenaade. - Toen was jenever nog goedkoper dan limonade. N. Daamen - Handschrift 1916 – ""snevel - jenever""; A.J.A.C. van Delft – sneevel – Bij Meke Piek - die wonde destijds in de Heuvelstraot wor na Pierson zunne winkel hee - wieren op zonnen aovond [de avond van de klòttermarkt, 5 december] liters snevel verkocht! (Nwe. Tilb. Courant, 5 dec. 1929); Z'n ooge blonken as van glas/ en gluurden deur 'n kier....../ ze dreven, - as 't geen snevel was, -/ ze dreven rond in bier! (Piet Heerkens; uit: D’n örgel, ‘Jan Viool’, 1938); - ‘k Wens oe vurspoed in oe zaoken,/ steeds goed centen in oe tes./ En vur die ’t um gère lussen,/ Aaltij “sneevel” in de fles. (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Half z’n tèd zaat ie tot aon z’nen nek vol sneevel... (Naarus; ps. v. Bernard de Pont; in: Groot Tilburg 1941; CuBra); Lowie van Dorrus Misters - Resten nog een paar omstandigheden op de dag der begrafenis zelf. Dan werd namelijk iedereen, die ter uitvaart kwam, bij het intreden van de woning een glaasje jenever aangeboden. En nu zien wij de drankbestrijders overeind komen, want dat was een ergerlijk misbruik volgens hen. Doch als wij ons verplaatsen in de tijd waarover wij spraken, is dat geenszins het geval. Men moet dit gebruik zien als een voorbehoedmiddel tegen eventuele besmetting van de zozeer gevreesde ziekten. Zie boven. [zie lemma waoke] (Lowie van Dorrus Misters; rubriek Onze Tilburgse folklore, afl. 2 ‘Doden-cultus van eertijds’; NTC – 16-11-1950); MP gez. Ene gèldbèùl, en flès sneevel èn en jonge mèèd kunde noot alleen laote. De Wijs  –  (Op Textielfabriek)  “Meneer, hik, waor motte, hik, deez slakken, hik, mee gevuld worre?” -“Mee snevel, potverdomme!” (15-06-1963); De Wijs – (’n kraai over de overledene:) Hij hee veul gezoope mar onze Pa hee wel unne teil snevel op (17-10-1972); De Wijs – Ik heb liever koaje snevel dan goei werk! (10-01-1970); Cees Robben – ..Kaoije snevel smaokt me toch aaltij nog beter dan goei wèèrk... (19700329); Cees Robben – Vruuger zaag ik blauw van de snevel (...) en naa vort van de middelsèène... (19820730); Cees Robben – En de miste kasteleins zen nog ’t biste rôôms ôôk... Ze dôôpen d’ren snevel nog aaltij aauwverwets... (19831007) [water bij de jenever doen]; Cees Robben – Lustte snevel.? Jao, meneer Lewie.. (19841005); Cees Robben – ’t Biste is dè gij Van Dam/ Den snevel vort laot staon/ Want aanders haolde ’t niemer man/ En gaode naor de maon... (19710319); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - kom on men hart, want ge ruukt nòr sneevel (D'16) - schertsende liefdesverklaring van een drinker aan zijn glas; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - et gao derin as sneevel in ene kaajlègger (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1970) - het valt goed in de smaak; Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - sneevel èn traone geeve gin vlèkke (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1971) - Het is beter zijn leed uit te huilen (Leed slijt en een roes kan men uitslapen.); Mandos - Brabantse spreekwoorden (2003) - nòr de sneevel stinken as ene frater nòr snuf (Pierre van Beek – Tilburgse Taalplastiek 1971) de fraters van Tilburg stonden bekend om het gebruik van snuiftabak; Elie van Schilt - daor wier goeie drank geschonken en goei sigaren gerokt, gin snevel die mee ut half literke los bij de slééter was gehold, C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – SNEVEL m (verbastering v. Fr. genièvre) - jenever. A.P. de Bont – sne.vel, zelfstandig naamwoord m. 'snevel' - jenever. Z.a. Antw. GENEVEL (uitspr. zjeneevel) zelfstandig naamwoord  m en niet v - genever, Fr. genièvre; SNEVEL zelfstandig naamwoord m. - mond; Houd oewe' snevel toe. Jan Naaijkens - Dè's Biks – sneejvel zelfstandig naamwoord  - jenever; Frans Verbunt – gesneeje sneevel: Kiske zôop zo schielek dèttie gesneeje sneevel krêeg assie kwaam kaorte; WBD III.2.3:272 'jenevel' (ook 'snevel') = brandewijn"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal