elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: juk

juk , jük , (onzijdig) , juk.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
juk , juk , (Innersdijk); eene kleine brug zonder leuningen over een klein water, bv. over eene tocht, of een moar (zie aldaar). Weil. = jukken, in Groningerland kleine bruggen over weteringen. (v. Dale: juk = boog eener brug). Hier beteekent het zooveel als: voorwerp dat iets moet dragen.
landmaat op het Hoogeland, nagenoeg een halve hectare; ook Friesch en Oostfriesch In eene acte van verkoop (1693) leest men: “Joncker Lambart Tiaerda van Starckenborgh, Joncker ende Hovelinck, etc.: Bekenne cracht deses verkoft te hebben …, sekere twie jucken, en een vierendeel jucken landts, gelegen tot Leens … voor een somma naemtlijck van een hondert car. = gulden”, enz. – In de Staten-Overzetting: juk = zooveel land als twee (een juk) ossen in één dag kunnen omploegen. Kil. jock, Latijn jugum = juk, hier zooveel als; span, Hoogduitsch Joch ossen.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
juk , juk , ond. molen, 35.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
juk , jùks , m , jeuk.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
juk , n juk laand , een halve hectare 1 Samuël 14: 14. Staten vertaling: de helft eens bunders, zijnde een juk ossen lands. In de Nieuwe vertaling. het onbegrijpelijke: over een lengte van ongeveer een halve vore van een juk land
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
juk , juk , het , jukken , 1. (melk)juk, juk voor trekdier e.d. Doe het juk maor umme, wij mut melken (Noo), De boer hef tweei emmers met mölk an het juk hangen (Eex), Negosie hadden ze ok an het juk (Sle), Twie kalfies bunden ze wal ies an mekaar met ’n jukkien verbindingsbalkje (Sle), An de halsholtriem zit ’n juk en daor komp de diksel in (Sle), Een juk ossen twee in een span (Hgv), Ze luip met het juk ventte langs de huizen (Row), Hij krig een zwaor juk te dragen zware lasten (Hgv) 2. vierkant raamwerk (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord) Veur heuihalen en korenhalen kwam der een juk op de wagen (Emm), De schörstien stiet op het juk (Dwi), Hiel mangs wuur der wal is een jukkien op ’n kaore legd veur ’t grös of spirre halen (Pdh), zie ook rik, raam, kret 3. dwars gestreept deel op de schouder van een bloes (Die) 4. driepotig raamwerk voor het opzetten van een put (Midden-Drenthe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
juk , juk , juk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
juk , jok , juk , zelfstandig naamwoord , et 1. draagjuk 2. kruiwagenzeel 3. hetz. als puttejok 4. zware last 5. onderdeel van de schoorsteen waar het bovenste stuk op wordt gebouwd 6. hetz. als ploegjok
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
juk , juk , zelfstandig naamwoord , WBD driehoekig raam om de nek v.e. kalf, ook genoemd 'raom' of 'ròmke'; WBD (Hasselt) ossegareel (als een os de kar trekt)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal