elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kannetje

kannetje , kannĕchien , vrucht van de moatblommĕ (waterlelie).
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kannetje , kannegien , het , kannegies , 1. vrucht van de hagedoorn (Midden-Drenthe, Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) De kannegies bint al rood (Sle), Der zit een boel kannegies an de hegedeurn (Bco), zie ook iempien 2. vruchten van de wilde roos (Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Wij plokt de kannegies van de rozen veur jam (Die), De kannegies bluiden an de slootkaante wilde roosjes (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kannetje , kannegien , zelfstandig naamwoord , et 1. bes van de hagedoorn 2. rozenbottel, met name van de wilde roos 3. wilde roos, hondsroos 4. dikke braambes 5. exemplaar van een bep. appelsoort: jeupies 6. bep. struik: egelantier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kannetje , [vruchtje van de meidoorn] , kannetje , vruchtje van de meidoorn.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal