elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karren

karren , koaren , (Stad-Groningsch) = langzaam rijden. Oostfriesch karen = de kar, kruiwagen schuiven; Zweedsch käre = rijden in een’ wagen. Eigenlijk zooveel als: karren, dat is met eene kar vervoeren.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
karren , karren , (zwak werkwoord, intransitief) , Hard lopen. || We bennen lekker gauw hier na toe ’ekard. – Karren is eigenlijk met een kar rijden, bij uitbreiding rijden in het algemeen en vandaar snel voortgaan. Het woord is ook elders gebruikelijk – Vgl. opkarren.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
karren , [kruien, met de kruiwagen lopen] , kaorĕn , kruien met de kruulĕkaorĕ.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
karren , karre , winden laten Wie zit ’r hier zò te karre? Wie zit hier zo te stinken?
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
karren , karre , rôndkarre Rondfietsen op een oude fiets.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
karren , karre , werkwoord , Ook: met een kar, auto, fiets e.d. rijden. | Hai karde mit ’n noôdgang nei huis.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
karren , koaren , koaren, ekoard , 1. rijden; 2. karren.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
karren , karren , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. (moeizaam) rijden Daor komp hij ok weer an karren op die aolde fietse (Hol), As der op tied wezen wis mos der nogal wat tegen karren (Eel), De kiender bint mit de olde kienderwagen an het karren (Hgv), zie ook kaoren 2. met kar of wagen vervoeren Zij möt aaid de eerpel an de wiek karren (Pdh), … in het schip karren (Ruw), Zie bint an het erpel karren (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
karren , kaoren , kaorken, kaorkern, korkern, körkern, korken, körke , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën). Ook kaorken (Kop van Drenthe), kaorkern (Zuidoost-Drents zandgebied), korkern (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën), körkern (Zuidoost-Drenthe), korken (Midden-Drenthe, Kop van Drenthe), körken (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe), korren (Zuidoost-Drenthe) = moeizaam of langzaam gaan Daor kaort hij weer hen koon’k er vandage niet dan morgen (Hgv), Elke donderdag kaort hij op de fietse naor de Möppelermarkt (Bro), Het olde peerd lèut de kop hangen lèup op zien dooie gemak en zo kaorde het gevaar aover de hobbelige stège (Ruw), Hij het bot vangen en daor kaort e weer hen druipt af (Erf), Dat körkert mar wat verdan met zien wark op de boerderij (Pdh), zie ook korreln, karren
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
karren , kören , kaoren , werkwoord , (Kampen) 1. rondrijden; 2. Gunninks woordenlijst van 1908: met een kar vervoeren. Ook: kaoren (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
karren , kaoren , koren, karen , werkwoord , 1. moeizaam rijden, veelal met paard en wagen, ook gezegd van moeizaam fietsen 2. kaarden, nl. bij het spinnen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
karren , karken , korken, kaorken, karren, koren , werkwoord , 1. met een kar of wagen rijden of ook fietsen, vooral gezegd indien dat moeizaam gaat, bijv. door het mulle zand 2. ter kerke gaan
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
karren , [rijden] , kerre , kertj, kerdje, gekerdj , karren , Ich bèn efkes op en nieër gekerdj. Waat liks se toch róndj te kerre.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal