elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kennelijk

kennelijk , [dankbaar] , kennelk , erkentelijk, dankbaar.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kennelijk , [merkbaar] , kenlĕk , merkbaar. Hij wordt kenlĕk mindĕr.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kennelijk , kennelijk , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , 1. kennelijk Het is hum kennelijk goed egaone (Noo), Die koe is kennelijk drachtig duidelijk (Man), Jopk leup in kennelijke staot over straot dronken (Eex) 2. dankbaar, erkentelijk (dva, Zuidoost-Drents zandgebied) Ik was hum arg kennelijk dat e dat veur mij daon had (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal