elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerkenspraak

kerkenspraak , kerkenspraak , kaerkenspraeken  , afkondiging van den predikstoel van de plakkaten en andere verordeningen der regeering; ook der gerechtelijke acten, voorheen een ambtsplicht der predikanten. Dr. Landr. (1712): Alle publicatiën van Lantsdagen, Lottingen, Goorspraken, Placaten, Resolutiën ende diergelijke Lantszaken, zullen ten eersten van den Predikstoel gedaan moeten worden, II, 58; ald. 21: – met Kerkensprake doen kondigen.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
kerkenspraak , [afkondiging in of bij de kerk] , karkenspraoke , (vrouwelijk) , afkondiging aan de kerk; zie verkarkenspraoken.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
kerkenspraak , kaarkenspraokĕ , afkondiging in de kerk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kerkenspraak , kerkenspraak , de , (wm, veroud.) = afkondiging van de preekstoel van plakkaten en andere verordeningen van de regering
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerkenspraak , kerkspraoke , afkondiging na een kerkdienst (Oldebroek, Wezep).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal