elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: keten

keten , keten , (vrouwelijk) , ketens , ketting.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
keten , kéten , (vrouwelijk) , kétens , ketting.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
keten , keettn , ketting.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
keten , kiättene , vrouwelijk , ketting
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
keten , kàtne , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kàtns , kàtntjen , ketting. Eenn van de kàtne doon, iem. zo verheerlijken dat hij wild wordt; kàj van de kàtne, helemaal overstuur
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
keten , keten , onbepaald werkwoord , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kletsen Met de kop deur de keet en dan maar kwaken tegen mekare gezegd als buurvrouwen eindeloos staan te praten, te keten (Noo)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
keten , kieëte , kieëtj, kieëdje, gekieëtj , flink de boel op stelten zetten
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal