elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kijk

kijk , , kek, kijk , ook wel als Ei!
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kijk , kiek , (stam van: kijken), voor: gezicht: da’s ’n mooie kiek = dat is een mooie kaart, dat is een mooi spel; da’s ’n hijl andere kiek = dat ziet er geheel anders en beter uit; (= kijk), in: iets oet de kiek (= oet ’t stuk, of: oet ’t stōk = oet de bōcht kennen) = iets uitmuntend verstaan, er een meester in zijn, wanneer het eene kunstvaardigheid betreft; zij ken ’t naien oet de kiek; hij het ’t varven oet de kiek leerd; dat voorwerp, bv. een huismeubel, is oet de kiek moakt = is hecht en mooi.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kijk , kiek , hij mach er uut dĕ kiek weezĕn, gaarne wezen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kijk , kîk , ü̂t de kîk. Bijw. uitdr. Voortreffelijk. H(i)ee kan zîn lesse ü̂t de kîk. H(i)ee düt ü̂t de kîk zîn beste.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kijk , kiek , kijk. Üt de kiek: uitstekend
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kijk , oet der kiek , uut der kiek , uitmuntend
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kijk , koik , zelfstandig naamwoord de , Kijk, in de zegswijze deer is de koik an of, daar hoeven we niet meer naar om te kijken, dat ziet er piekfijn uit. – Te koik komme, komen kijken. | Ik kom deimie wel efkes te koik. – Hei je d’r beetje koik op? 1. heb je er zin in 2. heb je er goede hoop op. Verkleinvorm koik, in de zegswijze om ’n koikie gaan, iets gaan bekijken of bezichtigen. – Erges ’n koikie op hewwe, ergens een hekel aan hebben, | Bollepellen, deer het ze ’n koikie op; ze gaat liever mee te rôden – Hai het ’n koikie op heur, hij heeft een oogje op haar, wil haar voor zich winnen.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kijk , kèèk , zelfstandig naamwoord , kijk. ’ne Kèèk wèèd. Zo ver als je kijken kunt.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
kijk , kiek , kijk; * uut de kiek: prima, ontzettend goed.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kijk , kiek , de , 1. kijk Hij hef er gien kiek op op det wark (Ruw), Der is gien kiek op wanner of e komp de termijn is onduidelijk (Bov), Doe het gerdien wat dichte ik wil niet te kiek zitten (Ruw), Zukke körte rokken het is gien kiek dat is geen gezicht (Nor), Die hef gerdienen veur de glazen dat is gien kiek het lijkt niets (Bor), Dat is een raore kiek lijkt raar (Row), Tot kiek (Eex), ... kiekes (Smi) ...kiekens (Wee) 2. in oet de kiek uitstekend, uit de kunst Die beiden begriept mekaar oet de kiek (Sle), Wat ken dai scheuveln dat is uut de kiek (Vtm), De olde fietse lop nog uut de kiek (Die) 3. foto Eein op de kiek zetten op de foto (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kijk , keek , kijk. zullie henr keek op, zij hebben er kijk op.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
kijk , kiek , kijk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kijk , kiek , (uut de kiek), perfekt. ’t Is daor uut de kiek in odder, er mankeert nârgns wat an.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kijk , kiek , zelfstandig naamwoord , de; 1. het kijken 2. het bekijken 3. kijk op iets, visie 4. foto, kiekje, in op de kiek 5. in uut de kiek heel goed
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kijk , [in uitdrukking 'tot kijk'] , kiek , kiekes , tot/töt kiekes, tot ziens.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kijk , kèèk , zelfstandig naamwoord , Jan Naaijkens, Dè's Biks (1988): kèèk zn - kijk; 1. kijk als mening, deskundig oordeel; Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek (1964-1974): Kèèk eróp hébben is meer as twee haande - verstandelijk overleg is beter dan in het wilde weg ergens aan beginnen (Tilburgse Taalplastiek 128); Mandos & Van de Pol, De Brabantse spreekwoorden:  kèèk eróp hèbbe doe meer as twee haande (Pierre van Beek, Tilburgse Taalplastiek '71) - overleg hebben is belangrijker dan kunnen werken; 2. gul zijn; H. van Rijen (1988): ik kèèk nie op nen bos peeje, ak et lôof mar hè - ik kijk niet zo fijn, als het maar redelijk is; 3. te kijk staan; GD07 Jan staode daor te kèèk; 4. zelfstandig naamwoord = uitzicht; - ene kèèk wèèd - zo ver als je kijken kunt/kon [Bron?]; Agge op de Ringbaon wonde/ vuulde oe èège vruuger rèèk/ meej veul gruun èn stoere bôome/ èn ge had «ene Schôone kèèk» (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: De Ringbaon? Niks mir aon...)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal