elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kippenluik

kippenluik , kiepĕnloek , gat in de buitenmuur, waar de kippen door kunnen.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
kippenluik , kippenlukie , luikje in kippenhok.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
kippenluik , kiepeloekien , zelfstandig naamwoord , et; luikje waarmee men de uitgang van de kippen in een kippenhok afsluit
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal