elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klad

klad , klad , klatte, klasse, klesse, klisse en klitte zijn verschillende vormen van klissen, een onkruid met doornen bezet. Het zijn oude uitdrukkingen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
klad , [stuk papier] , kladde , kladdechien , stuk papier van geen waarde, waar men iets inpakt. Ook = papieren zakje, peperhuis.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
klad , kladde , (vrouwelijk) , klad.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
klad , klarren , zie: klar 2. Oostfriesch klatten, Westfaalsch klâtern, Hoogduitsch Klunker.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klad , klak , zie: klik.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klad , klar , klarre, klad , klad, inktvlek op een schrift; klarren in de oogen = (alleen meervoud) = opgedroogde vuiligheid in de hoeken der oogen, kladden. Kil. klacke, kladde, Deensch klak, klat. (Vgl. om de wisseling van k en t het Deensch flitter, Hoogduitsch Flitter. Nederlandsch flikkering; Hoogduitsch Klunker, Nederlandsch klonter; Limburg kank = kant. (Volgens Bomh. is klad = inktvlak een provincialisme); de gesloten knop van het klissenkruid. Zegswijs: zij hangen an ’n kander as klarren = zij zijn altijd eenswillend, maken ééne bent uit; iemand bie de klarren kriegen, v. Dale: bij de kladden (bij den kraag) krijgen. Friesch kladde, Noord-Holland kladde, klat, ook: startoffen. Kil. kladde, klisse; Hooft klat = klis; Oostfriesch kladde, klarde, klarre, Hoogduitsch Klette. (v. Dale: klad (verouderd) (gewestelijk), klas, klis.) Vgl. Maastrichtsch kletten = hechten, vasthechten.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klad , klad , (zelfstandig naamwoord) , zie moddeklad.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klad , klad , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Meerv. kladden. Zekere plant. Klis, Lat. Arctium (VAN HALL, Landh. Flora 116). Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 1, 113). Reeds bij KIL. kladde, Holl. j. klisse, lappa. – Daarnaast ook kladdebossen, welke benaming ook elders bekend is; zie VAN HALL t.a.p. || Gras, Stickelen, Brande-Netelen, Kladde-Bosschen, Mostert off Raap-Saat, ende alle andere Onkruyt en Ruygte, Keuren v. d. Beemster 2, 196.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klad , klad , zie klak *
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klad , kladdĕ , kladdĕchien , stuk papier, papieren zakje.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
klad , kladde , kleddeken , Zekere hoeveelheid van een weeke stof. Dikke kladden bòtter laggen op zîn brood. Kladden in de oogen, aan de achterzijde van een koe, enz. Ook: troep: ’n (H)éle kladde jonges.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
klad , kladde , Waardeloos stuk papier. Dôt mîn ’n kladde aover de bòtter.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
klad , klarre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , klarn , klàdken , kleine hoeveelheid; klàdken, maar weinig
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klad , klarre , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , klarn , klarrken , braamsluiper
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klad , kladde , 1. bepaalde hoeveelheid. 2. klad, inktvlek. 3. gedroogde poep of vuil aan het achterwerk van een dier.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
klad , kladde , 1. bepaalde hoeveelheid; 2. vlek.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
klad , kladde , klad.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
klad , klad , kladde , de , kladden , Ook kladde (Veenkoloniën, Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 3.) = 1. smet, vlek Iene ’n klad naogeven dat is mar ’n kleinigheid achteraf bekletsen (Klv), Hij kreeg een klad nao (Sle), zie ook klakkerd 2. ruwe schets Hij schreef het eerst in klad (Bov) 3. bederf Het is niks mit de varkens, de kladde zit der in (Ruw), zie ook bij kladde
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klad , kladde , klarre , de , kladden , Ook klarre (Zuidoost-Drenthe, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Midden-Drenthe) = papieren zak, pakpapier Doe mij der even een kladde umme aj wilt (Nam), Een klarre is een tips puutie (Hoh), Ik har de ries in’n tipse kladde (Sle), Die zuurties zaten in een deurschienend klarregien (Eri), Hij schreef het even op een klarregie stukje papier (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klad , kladde , kladder, klarre, klade , de, het , kladden , Ook kladder (bet. 1:Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents veengebied; bet. 3:Zuidoost-Drents zandgebied; bet.6: Zuidwest-Drenthe, zuid), klarre (Zuidwest-Drenthe, Zuidoost-Drents zandgebied, Noord-Drenthe, in bet. 5. en 6.), klade (Midden-Drenthe, Veenkoloniën, in bet. 5.) = 1. inktvlek (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) Wat hest doe ja ain dikke kladde in het schrift (Vtm), zie ook klad 2. klodder (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe, Veenkoloniën) Het jongbaist zat onder de kladden (Eco), Een kladde vaarve stront (Die) 3. onreinheid in ooghoeken of neus (Zuidoost-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Hie har zuk nog niet wascherd want hie har de kladden nog in de ogen (Sle), Haal die kladder oet de neuze (Pdh) 4. knop van de lisdodde (Zuidoost-Drents zandgebied, N:Kop van Drenthe) 5. klit Dai hangen as kladden aan mekaor ze zijn onafscheidelijk (Vtm), ook persoon, die klit Wat een klade is dat (Dro) of smerig persoon Wat een kladde van een wief (Hol) 6. (mv.) kleren Hezze neie kladden an? (Pdh), Hij greep hum bie de kladden (Bco), ...in de kladden bij de lurven (Mep), Ie blieft mij van de kladden je blijf van me af (bh) 7. ondeugend ventje (Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, noord, Zuidoost-Drents zandgebied) Dat kladde kröp overal tuschendeur (Sle) 8. bloemhoofdje van de klis (Kop van Drenthe, Midden-Drenthe) De jonges gooiden de wichter kladden in het haor (Row), zie ook kleveklas 9. (mv.) handen (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) Dat goud is zo kladderig, kregs het neit weer van de kladden of (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klad , klad , klad, restje. verkl. klèdje.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
klad , kladde , 1. vlek; 2. veel. Een kladde geld ‘veel geld’, Gunninks woordenlijst van 1908: een ele kladde ‘nogal wat’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klad , kladde , 1. klad. Hie brenk der de kladde in. 2. hoeveelheid. ’n Kladde wârk. Hie had ’n kladde eerpels op de waegn liggn.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
klad , klédje , kliekje , Meej't middegeete haauw'de wél'les iet oover, dé's 'n klédje, dé duun wéllie wèg. Met het middagmaal houd je wel eens iets over, dat is een kliekje, dat doen wij weg.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klad , kladde , klad, klarre , zelfstandig naamwoord , de; 1. stuk papier: om mee in te pakken, om op te schrijven, ook van een biljet, brief e.d. 2. papieren zak 3. inktvlek 4. klodder, klonter 5. in bi’j de kladden vastpakkend, in z’n kraag grijpend e.d., aachter de kladden achter iemand aan (om te controleren e.d.) 6. in de kladde zit d’r in de klad zit erin 7. in in de kladde zitten in de schuld 8. in iene een klad naogeven zich laatdunkend, lasterend uitlaten over iemand die er niet bij is 9. in Die hangen as kladden an mekeer zijn altijd bij elkaar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klad , kladde , (zelfstandig naamwoord) , veel, grote hoeveelheid. Zie ook: bonke, bulte.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
klad , [restje eten] , klèdje , restje eten
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
klad , klad , kladde, klädde, klarre , 1. vlek; 2; vuil; 3. (grote) hoeveelheid.; kladderig, 1. vuil, smerig; 2. miezerig, druilerig (weer).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klad , klad , zelfstandig naamwoord , WBD III.1.2:241 'klad' = fluim, rochel; WBD III.3.2:265 'kladje' = restje bier, ook 'kwakje'
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal