elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klerk

klerk , klark , (Ommelanden) = kussies (Oldampt) = ondermeester, sedert 1857 hulponderwijzer, na 1878 onderwijzer, maar bij ’t volk: hulponderwiezer. Werd een onderwijzer te oud om zijne school zelf te besturen, dan nam hij een klark om dit voor hem te doen. – kussies staat voor: custos, eigenlijk: kerkeknecht. Beide woorden, alsook: ondermeester, moeten hier als verouderd beschouwd worden.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klerk , klaark , klerk.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
klerk , klärk , (Gunninks woordenlijst van 1908) klerk
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klerk , klark , klerk , zelfstandig naamwoord , de; klerk: schrijver
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klerk , klerrek , zelfstandig naamwoord , klerreke , klerrekie , [O] soort kriek (die enkele weken na de vroege wilsies rijp is)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal