elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klobbe

klobbe , [blok hout] , klōbbe , klōbbechien  , 1. het onderste, het worteleinde van een afgezaagden boomstam, Friesch klibbe. In Gron.: klöbbertje = klosje met garen, garenklosje. Oorspronkelijk zooveel als: een stuk gekloofd hout, HD. kloben, OHD. chlobo = klooven, AS. klioban, waarvan ook het Eng. club, in eig. en fig. beteekenis. 2. blok hout.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
klobbe , klōbbe , voor: stuk, van vleesch, ook van brood gezegd, zooveel als: brok, en synoniem met: homp. Het verkleinwoord klōbke (Ommelanden) komt het meest voor, bv.: ’n klōbke vet. Nedersaksisch knobbe, knube = wat dik en rond uitstaat; knobken, een klein rond roggebrood. – Het woord behoort tot klooven of klieven. Friesch klibbe, Drentsch klobbe = het worteleinde van een afgezaagden boomstam; klobbechien = blok hout.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klobbe , klōbke , zie klōbbe *.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
klobbe , klobbĕ , jongensspel, 25.
Bron: Ebbinge Wubben, C.H. (1907), ‘Staphorster Woordenlijst’, in: Driemaandelijkse Bladen 6, 61-94
klobbe , klobben , grote hoeveelheden
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
klobbe , klobbe , de , klobben , 1. dik stuk hout, blok Die boom meuj helemaole an klobben zagen (Pes), Dat is een mooie klobbe achter het vuur (Ndo), Een klobbe an het vuur zetten (Eli), Klompmaokers hadden een klobbe op drei poten een hakblok (Row), Zaag die klobbe der even of, dan kuw de boom metnimmen ondereind (Sle), Het vuul niet met um die klobbe oet de grond te kriegen worteleind (Zwin), Aj van een dikke stobbe de wortels ofzaagden, dan kreej ’n klobbe die gebruukt worde umme der iek op te klöppen of holties op te kleuven (Hgv) 2. brok (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord) Een klobbe cement (Nam), Der zit een beste klobbe vleis an (Dwi) 3. dik dier of persoon (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) Wat een dikke klobbe van een biest (Klv), ...van een kèrel (Hol), Wat is die Annie toch een klobbe van een meins worden, allemaol spek (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klobbe , klobbe , zelfstandig naamwoord , de; 1. blok hout, dik, zwaar maar vrij kort stuk hout 2. forse kluit grond, brok steen, sneeuw, ijs e.d., een stevige berg van iets 3. dikke, zware persoon of dier
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal